Lessen voor de overlevenden… (boekbespreking)

Toen ik in 1992 begon ik aan mijn studie Theologie in Groningen, was dé godsdienstfilosoof van de Groninger theologiefaculteit Andy Sanders. Sanders is enorm invloedrijk geweest op mijn theologische en filosofische ontwikkeling. Hij wakkerde bij mij de liefde aan voor de godsdienstfilosofie. Ook zette hij mij ook op het spoor van ‘geloof en wetenschap’. Toen ik in 1999 aan mijn promotietraject begon (ik promoveerde in 2004 op een proefschrift over geloof en wetenschap) werd Andy Sanders co-promotor. Het contact tussen ons was informeel en vriendschappelijk. Maar hoe hartelijk Sanders ook was, hij was behoorlijk gesloten over zijn privéleven.

Op een gegeven moment kreeg ik van hem een exemplaar van zijn proefschrift over wetenschapsfilosoof Michael Polanyi, waarop hij in 1988 was gepromoveerd. Voorin het boek stond: ‘In Memory of Saskia (1973-1987)’. Ik wist niet wie ze was, heb er niet naar gevraagd. Sanders heeft in mijn bijzijn haar naam nimmer genoemd. Zo had ik geen idee van de tragiek die zijn leven tekende.

Tot een paar weken geleden, toen ik in de Volkskrant toevallig las over het boek dat Andy Sanders samen met de psycholoog René Diekstra heeft geschreven. Ik schrok toen ik las waar het boek over ging: Saskia was het dochtertje van Andy dat op dertienjarige leeftijd totaal onverwacht een einde aan haar leven had gemaakt.

Was het een opwelling? Was het ‘een ontredderende redding’ omdat ze die bewuste middag was overmand door een ‘tsunami van emoties’, zoals René Diekstra het verwoordt? Was het een weloverwogen en geplande daad? En vooral: had haar vreselijk einde voorkomen kunnen worden? Dat zijn de vragen waar het boek om draait.

Het boek bestaat uit twee brieven. Eén van vader Andy aan Saskia, de andere van psycholoog Diekstra aan Andy. Beiden proberen te achterhalen wat Saskia dreef om er lessen voor de levenden uit te halen. Als ‘een vaag verlangen, van hoop kan ik eigenlijk niet spreken, dat alles zich ooit nog eens ten goede zou kunnen keren’, aldus Sanders.

Als Saskia zes jaar is gaan haar ouders uit elkaar. Ze blijft met haar oudere zus bij haar moeder, die al gauw een vriend krijgt die bij haar intrekt. De kinderen kunnen het goed vinden met hun stiefvader. De situatie lijkt stabiel. Maar toch. In de brief stelt Sanders zich toch de pijnlijke vraag of de scheiding een van de oorzaken is geweest dat Saskia zich niet thuis voelde in deze wereld. Ook Diekstra bevestigt dat scheidingen bij suïcide onder jongeren vaak een factor van betekenis is.

Sanders vertelt dat Saskia hoogsensitief is. Ze is anders dan andere kinderen, gevoeliger voor stemmingen. Ze wordt in haar jonge jaren door emoties heen en weer geslingerd, zoals Sanders schrijft: ‘nu eens himmelhoch jauchzend, dan weer zum Tode betrübt’. Die hooggevoeligheid zorgt ervoor dat ze kwetsbaar is en zich kritische opmerkingen extra aantrekt.

Daar komt bij dat ze ook buitengewoon intelligent is. Na haar dood komen de duizenden pagina’s schrijfsels van Saskia boven tafel: dagboeken en een handgeschreven manuscript van een boek waar ze vermoedelijk op de middag voor haar fatale daad nog de laatste hand aan gelegd heeft. De gedachten en zinnen zijn die van een volwassene, maar opgeschreven in de periode van haar negende tot haar dertiende. Het zijn haar schrijfsels die Sanders en Diekstra gebruiken om haar gedachtewereld te reconstrueren.

De emoties die Saskia voelt, uit ze niet openlijk. Ze praat er tegen niemand over. Ze schept afstand tot anderen, isoleert zich, maar laat zich volledig gaan in haar dagboek. Ze creëert een fantasiewereld die ze Yra of de Tweede Wereld noemt en die als een ideaalwereld staat tegenover de Aarde, het dagelijkse leven. In die fantasiewereld waant ze zich veilig. Maar ook dat is tijdelijk. Want als ze al vroeg in de puberteit terecht komt, blijkt Yra niet gevrijwaard van dreiging en kwaad.

Saskia voelt zich ongelukkig, zegt stemmen te horen, beschrijft hoe ze mensen ziet als slungelige wezens die trillend voortbewegen. Ze denkt dat ze schizofreen is. ‘Het is dat wat Saskia’s dagboek in de laatste anderhalf jaar voor haar dood als het ware bladzijde na bladzijde uitademen’, zo beschrijft Diekstra klinisch: ‘labiliteit, onzekerheid, verwarring en gebrek aan hechting’.

En dan op 22 juli 1987, even na zessen in de avond, stort ze zich van een flat. Een jaar daarvoor was ze in psychotherapie gegaan. Ook de psychotherapeut heeft haar doodswens niet opgemerkt. Sanders en Diekstra oordelen niet. Aan een daad als deze is niemand schuldig en tegelijkertijd beseffen we dat we allemaal schuldig zijn. Zelfmoord, schrijft Diekstra ergens, is altijd ook een sociaal gebeuren.

En haar vader? Ontredderd, ontroostbaar, maar: ‘Ik doe wat er te doen is, business as usual eigenlijk. Ik pak mijn werk weer op zoals dat nu eenmaal gaat na een zomervakantie. Stilstaan bij jouw dood en mijn verdriet daarover beperk ik strikt tot de privésfeer. Ik heb geen behoefte aan hulp, of beter gezegd, ik wil helemaal geen hulp…’ Sanders trekt zich terug, net als Saskia voorheen gedaan had. Hij vindt troost in muziek, gaat soms een kerk binnen om een kaarsje op te steken. In een hiernamaals gelooft hij niet.

Er is veel, heel veel wat dit aangrijpende boek te denken geeft. Nergens spreekt Sanders over de rol van geloof. Vanwaar dat zwijgen? Juist van een godsdienstfilosoof die zich in het dagelijks leven bezighield met de Grote Vragen van het leven!

Met een brok in mijn keel las ik over het onuitgesproken gevoel van vertwijfeling over de vanzelfsprekendheid van het alledaagse. Hoe vaak vraagt Sanders zich in zijn brief niet af waarom er bij hem geen lichtje is gaan branden bij een bepaalde opmerking van Saskia? Hoe vaak probeert hij zich te herinneren hoe hij op een opmerking gereageerd heeft? Waarom hij een bepaalde vraag niet gesteld heeft? De onmacht is tastbaar.

We varen vaak op de automatische piloot, ons denken en handelen verloopt vaak onbewust en routinematig. De aanwezigheid van onze naasten is zo vaak een kwestie van gewenning en vanzelfsprekendheid geworden. We zien elkaar, maar zien we elkaar ook écht? Wanneer hebben we oprecht oog en aandacht voor de ander? Wat is dat toch dat we achteraf zo vaak gevoelens van pijn en spijt hebben, in plaats van dankbaarheid voor de genoten aanwezigheid?

Of is de schrijnende tragiek dat we de ander nooit werkelijk kúnnen zien? Ik ervaar dagelijks hoe mijn kinderen weliswaar ook mijn vlees en bloed zijn, maar dat er aan hun bestaan een verrassende en mysterieuze eigenheid kleeft die mij vreemd is en blijft. Je denkt iemand goed te kennen totdat je plots beseft dat er achter het gelaat een dimensie schuilgaat die je bevattingsvermogen overstijgt.

Willen begrijpen waarom iemand op een bepaalde manier heeft gehandeld is een poging om greep te krijgen op dat ongrijpbare. Een poging Saskia’s verhaal onder te brengen in een begrijpelijk kader dat de angel wegneemt. Zowel Sanders als Diekstra lukt het uiteindelijk niet om Saskia’s finale handeling ten volle te doorgronden. Wat haar dreef lijkt uiteindelijk ieders bevattingsvermogen te boven te gaan.

Ik heb Sanders nooit durven vragen wie die Saskia uit het proefschrift was. Haar verhaal blijkt dat van Kierkegaardiaanse vertwijfeling: van een angst zonder het vertrouwen dat het nog goed komt. In haar afscheidsbriefje vraagt ze om vergeving voor haar gedrag en voor de leugens die ze vertelde. Andy Sanders vraagt haar in zijn brief in zekere zin om vergeving omdat hij haar pijn en verdriet niet heeft gezien. Echte vrijheid – elkaar kunnen loslaten in het vertrouwen dat het goed is – begint met vergeving. De werkelijke tragiek is dat Saskia stierf zonder dat vergeving ooit wederzijds uitgesproken werd. Ook daarin schuilt een les aan de levenden.

(N.b. dit essay verscheen oorspronkelijk in het Nederlands Dagblad van vrijdag 28 oktober 2016.)

‘Het is net alsof ik hier niet hoor…’ Leven en dood van een dertienjarige

Andy Sanders en René Diekstra. Uitg. Prometheus, Amsterdam 2016. 176 blz. € 16,95