Close

Kan een robot een persoon zijn?

Omslag (bron: https://www.vantilt.nl/boeken/waar-was-ik-toen-ik-er-niet-was/)

Is het niet absurd om een robot rechten te geven? Blijkbaar niet. Momenteel woedt er weer een flinke discussie over de kwestie van ‘robotrechten’. Het schijnt dat de EU robots rechten en plichten wil geven en daarmee als mensen behandelen, zo lees ik op verschillende websites. ‘Experts’ zijn het daarmee oneens, om verschillende redenen. Ik geef toe dat ik me (nog) niet in deze discussie verdiept heb, dus ik heb er verder geen mening over. Maar onlangs las ik een boek dat me wel aan het denken zette over deze kwestie.

Dat boek was het schitterende boek Waar was ik toen ik er niet was? Een filosofie van persoon en identiteit van Monica Meijsing. Dit is een boek op het grensvlak van psychologie en filosofie, dus een essay in wat wel genoemd wordt de philosophy of mind. Een boek dus dat cirkelt rond vragen over (zelf-)bewustzijn, identiteit, waarneming (‘proprioceptie’), de rol van lichamelijkheid, en de vraag naar wat iemand tot persoon maakt. Ik heb het boek verslonden, zelden heb ik in het Nederlands zo’n helder geschreven filosofieboek gelezen.

Ik kan sommige fenomenologische schrijfsels wel waarderen (onlangs las ik nog twee boeken van Timothy Morton, ook buitengewoon interessant), maar ik merk toch dat ik er warm van word als iemand simpelweg een analytisch helder, doordacht, beknopt geformuleerd betoog houdt, inclusief werkdefinities waarmee je uit de voeten kunt. Maar terwijl veel Angelsaksische analytische filosofie nogal droog is, is het boek van Meijsing dat totaal niet. Bovendien is dit eens een keer geen overzichtsboek van verschillende posities, denkers, etc., maar een betoog dat een eigen punt wil maken. Ik merkte dat ik bij vlagen echt werd meegesleept door haar betoog, vooral wanneer ze gevalsbeschrijvingen geeft. En natuurlijk: schrijven zit bij Meijsing in de familie (ze is de zus van Geerten en Doeschka Meijsing).

Meijsings boek is even origineel als boeiend, omdat het uitgangspunt heel herkenbaar en persoonlijk is:

Een aantal jaren geleden moest ik een operatie ondergaan. Achteraf hoorde ik dat het een bloederige affaire was geweest. Er was zelfs zoveel bloed geweest, dat een leerling-verpleegster, die als toeschouwer aanwezig was, was flauwgevallen. Ik voelde me in mijn ziekenhuisbed niet slecht, maar dit klonk wel een beetje verontrustend. ‘Gelukkig dat ik er niet bij geweest ben’, zei ik tevreden. (p. 11)

Maar daarna komen de vragen, want Meijsing was er niet bij en natuurlijk toch ook weer wél. Ze was er niet bewust bij, maar betekent dat dan dat ze er zelf niet bij was? Is het zelf gelijk te stellen aan het hebben van bewustzijn of het bij bewustzijn zijn? – Ziehier de vragen waarmee het boek begint en waar het hele boek om blijft cirkelen.

Monica Meijsing (bron: https://www.vantilt.nl/auteurs/monica-meijsing/)

Ik durf gerust te stellen dat er in het Nederlandse taalgebied de afgelopen jaren niet zo’n originele, diepgravende en leesbare bijdrage aan de philosophy of mind is gepubliceerd als dit boek. Ze bekritiseert het cartesiaanse dualisme, maar gaat ook niet helemaal mee met de ‘hype’ van embodied cognition. Tegelijkertijd benadrukt ze wel de cruciale rol die onze lichamelijkheid speelt, terwijl ze ook weer helder beschrijft waarom we niet ons brein zijn of te reduceren zijn tot lichaamsfuncties.

Ik merkte wel dat ik met name in de laatste twee hoofdstukken (hoofdstukken 8 en 9 van het boek) mijn potlood vaker tevoorschijn haalde om strepen te zetten. Deze hoofdstukken spraken met namelijk in het bijzonder aan. Het zijn hoofdstukken waarin ze dieper ingaat op de vraag hoe zelfbewustzijn ontstaat en wat iemand tot persoon maakt. In eerdere hoofdstukken beschrijft en deconstrueert ze vooral het cartesianisme en de ideeën van Locke en de Neo-Lockeanen, ook bijzonder interessant, maar ik kon voelen dat de laatste twee hoofdstukken echt Meijsings eigen positie weergeven. Hier zitten gedachten in om te onthouden. Er staat teveel in om eenvoudig samen te vatten, maar de idee die mij het meest trof was de vraag wat iemand tot ‘persoon’ maakt.

Vanuit het christelijk geloof en de Platoonse filosofie is vaak gedacht dat wat de mens tot persoon maakt een metafysische entiteit is, bijvoorbeeld de ziel. Meijsing is een andere mening toegedaan:

Het concept van persoon is niet een metafysisch concept; het is een moreel concept. Een persoon is een wezen tegenover wie we een morele houding met de bijbehorende verplichtingen innemen; een persoon is tevens een wezen van wie we verwachten dat het een soortgelijke morele houding inneemt tegenover ons. (p. 241-242)

Ze geeft meteen toe dat er geen eenduidige definitie te geven is van wat een persoon precies is. Het is en blijft een wat vaag concept, we hebben er vaak een intuïtief begrip van. Niettemin, zegt Meijsing, zijn er wel een aantal voorwaarden die we aan personen stellen, namelijk:

zelfbewustzijn, kunnen spreken en het woordje ‘ik’ correct gebruiken, zowel het subject als het object van morele verplichtingen zijn en oproepen tot verantwoording kunnen beantwoorden. Die condities komen tot uiting in de reactieve attitudes die we tegenover personen hebben, en de verwachtingen die we van hen hebben. Maar die attitudes en verwachtingen vloeien niet voort uit de condities voor persoon-zijn; het is veeleer zo dat de condities volgen uit de attitudes tegenover en verwachtingen van anderen die we intuïtief en pre-theoretisch hebben, voordat we überhaupt nadenken over wat personen zouden kunnen zijn. (p. 242-243)

Daarmee wordt persoon-zijn dus een ‘relationele bezigheid’ (p. 238). Persoon word je alleen in een gemeenschap van wezens die jou persoon-zijn toekennen. En dat zijn wezens die in jou iets herkennen van zichzelf. Ze zien zichzelf als persoon en in jouw gedrag herkennen ze iets dat ze bij zichzelf zien, namelijk dat dit gedrag uiting is van zelfbewustzijn etc. – kenmerken die zij bij zichzelf herkennen. Het zijn dus

andere personen die ons opvoeden voor toetreding tot een gemeenschap en die ons daadwerkelijk opnemen in een gemeenschap van personen. Het is in deze context van aansprakelijkheid en aanspreekbaarheid, van verantwoording afleggen tegenover anderen en tegelijkertijd verantwoordelijk zijn voor anderen, dat personen bestaan. Iemand spreekt je aan; je kijkt op van wat je aan het doen was en zegt: ‘Hier ben ik’. (p. 245)

De discussie over robots, rechten en plichten, gaat al gauw over de eigenschappen die robots hebben, maar zoals Meijsing in dit boek aangeeft: als we over mensen spreken als personen, dan gaat het weliswaar óók over bepaalde eigenschappen die we personen toekennen, maar het gaat vooral om onze houding. Het cruciale van personen zit niet in een bepaalde objectief-waarneembare eigenschap, er is ‘geen metafysische fundering (…) voor een strikt onderscheid tussen personen en niet-personen. Er is geen fact of the matter wie personen zijn en wie niet’ (p. 234). Maar het gaat om een cluster van minimale voorwaarden die ervoor zorgt dat wij ons tot anderen verhouden als persoon tot persoon. Kort door de bocht gesteld: het gaat er dus niet om waar personen van gemaakt zijn, maar hoe we ons tot hen verhouden.

Het boek van Meijsing gaat helemaal niet over robots. Toch vind ik het boek relevant in deze discussie, met name wat betreft de vraag: Zou het kunnen dat we ooit robots als personen gaan zien? Als je ervan uitgaat dat de mens een soort essentie (zoals een ziel) die de mens tot persoon maakt, dan kun je beargumenteren dat een robot nooit een persoon zal worden. Ik denk echter dat zo’n idee van een substantiële ziel – een ‘iets’, een dingachtig iets dat onvindbaar en onzichtbaar is – niet langer houdbaar is. Iemand als persoon behandelen heeft dus niets te maken met een veronderstelde aanwezigheid bij die persoon van een onzichtbare ziel.

Als ik kijk hoe er in Japan met robots wordt omgegaan, vanuit een Shinto-achtergrond, kan ik niet uitsluiten dat ook wij robots ooit als personen zullen zien. Bij ons laten sommige mensen hun huisdier officieel begraven of cremeren, alsof het dus personen zijn die waardigheid en respect verdienen. Kunnen we uitsluiten dat we ooit, in de (verre) toekomst robots met zelfbewustzijn, die op gepaste wijze ‘ik’ kunnen zeggen, etc., artificiële wezens die dus veel verder gaan in hun gedrag jegens ons dan huisdieren dat ooit kunnen – kunnen we uitsluiten dat we dergelijke robots als personen zullen beschouwen? Zo ja, dan komt de vraag naar rechten en plichten opnieuw op tafel te liggen. Of we alle machines die de huidige industrie gebruikt en die we ‘robots’ noemen nu al rechten en plichten moeten toekennen is een tweede (persoonlijk gaat het mij nu nog te ver).

Maar ik vermoed dat er geen heldere scheidslijn valt aan te geven en dat we er rekening mee moeten houden dat er in de toekomst robots zullen zijn die zich zodanig gedragen dat we er moeite mee gaan krijgen om ze zomaar uit te zetten of bij het grofvuil te zetten. Meijsing beschrijft in haar boek hoe ook bij de mens zelfbewustzijn gradueel is ontstaan, waaruit uiteindelijk het persoon-zijn weer is voortgekomen. Kunnen robots een dergelijke ontwikkeling ook doormaken? Wie zal het zeggen?

Waar was ik toen ik er niet was? Een filosofie van persoon en identiteit.

Monica Meijsing.

Vantilt, 2018. Paperback met flappen. 288 pp.

ISBN 97894600543680. € 19,95

 

5 thoughts on “Kan een robot een persoon zijn?

  1. @Taede ,
    als ik hierop mag reageren-
    Het lijkt een beetje op de filosofie van David Chalmers, en zijn (filosofische) zombie. Chalmers zou het -vrij vertaald- zeggen als, ik weet dat ikzelf bewust ben, er is niets zo zeker voor mij dan het weten dat ik zelfbewust ben. Maar ik weet niet of jij bewust bent. Je kunt je zo voordoen, je kunt je zo gedragen, alsof je bewust bent, maar misschien ben je enkel een zombie. Mooie betrekking op AI.

    Ik geloof wel dat het een kant kan opgaan dat men niet meer kan onderscheiden, de vraag blijft, of een robot ooit iets zal hebben als een ‘innerlijk leven’.

    Je gelooft niet in een ziel, het woord ziel is ook heel sterk, maar als ik ervaar hoe sterk de belevingswereld is van een mens, dat is toch wel heel verbazingwekkend Taede. Ik zou dat geloof niet te snel opgeven………..

  2. @Teade schreef: “terwijl ze ook weer helder beschrijft waarom we niet ons brein zijn of te reduceren zijn tot lichaamsfuncties”.
    Ik ben benieuwd hoe ze dat heeft beargumenteerd.
    Natuurlijk kan een robot geen persoon zijn, de robot is in zijn functioneren afhankelijk van de steeds meer complexere programmatuur die wij er stoppen, wat dat betreft zouden we de daar juist de vinger aan de pols moeten houden.
    In tegenstelling tot robots (machines) zijn mensen een stukje leven en leven betreft een groots mysterie.

  3. Taede,
    Ik heb naar aanleiding van je blog over robots wat rondgeneusd op het internet en ik ben het eens met
    Kerstin Dautenhahn, Professor of artificial intelligence school of computer science at the University of Hertfordshire:
    Robots are machines, more similar to a car or toaster than to a human (or to any other biological beings). Humans and other living, sentient beings deserve rights, robots don’t, unless we can make them truly indistinguishable from us. Not only how they look, but also how they grow up in the world as social beings immersed in culture, perceive the world, feel, react, remember, learn and think. There is no indication in science that we will achieve such a state anytime soon—it may never happen due to the inherently different nature of what robots are (machines) and what we are (sentient, living, biological creatures).
    We might give robots “rights” in the same sense as constructs such as companies have legal “rights”, but robots should not have the same rights as humans. They are machines, we program them.
    Bron: http://blogs.discovermagazine.com/crux/2017/12/05/human-rights-robots/#.Wt5Gu-jwbrc

  4. Wat een mooi recensie van idd een prachtig boek. Ook ik genoot van Monica’s helderheid en eigen perspectief. Je discussie over robots is erg interessant.
    Wat vind je overigens van het idee dat als robots zoals je zegt misschien toch persoonsstatus krijgen, dat toch af zal hangen van hoe ze ons tegemoet zullen treden. Dat betekent dat de self-learning machines zich zullen moeten opwerken tot betekenisverleners aan mij of aan wie ze ontmoeten. Een hele klus lijkt mij, denk je niet.

  5. Hallo Paul,

    Of we machines of robots ooit een persoonsstatus zullen verlenen zal inderdaad volledig afhangen van hun interactie met ons, van hun houding jegens ons, etc. Dat is ook de conclusie die ik verbind aan Meijsings analyse van het menselijk persoonsbegrip. En ja, dat is in het geval van robots nog een hele klus, zover zijn we nog lang niet. Vandaar dat het onzin is om nu al rechten aan machines te verlenen, daarmee vertroebel je een discussie en blokkeer je misschien ook wel mogelijkheden voor toekomstig onderzoek naar AI etc. Mij ging het er alleen om te laten zien dat we onze huidige manieren van conceptualiseren niet moeten verheffen tot een soort eeuwige waarheid. Ik sluit niet uit dat in de nabij toekomst we heel anders met machines omgaan. Ontwikkelingen kunnen soms ineens heel snel gaan (kijk maar naar de ontwikkeling van pc’s of smartphones). Wat nu niet is, kan wellicht over tien tot vijftien jaar wel degelijk een feit zijn.

Comments are closed.

%d bloggers like this: