Close

Geest, werkelijkheid en het kosmische ei (boekbespreking)

Joseph Chilton Pearce: De barst in het kosmisch ei (bron: uitgeverij Samsara)

De schrijver Joseph Chilton Pearce vertelt over een artikel dat in april 1966 verscheen in het National Geographic Magazine. Het gaat over vuurlopen en is geschreven door de senior-assistentredacteur Gilbert Grosvenor en zijn vrouw Donna. Tijdens een bezoek aan Ceylon bezochten ze een vuurloopceremonie in een nabijgelegen dorp. De ceremonie werd gehouden onder leiding van ene Mohotty, een charismatische man ‘die als kleine jongen een gelofte had afgelegd aan [de god] Kataragama dat hij ieder jaar een keer over vuur zou lopen als zijn vader werd vrijgesproken van een aanklacht van moord’ (170).

Grosvenor vertelt hoe bij volgelingen van Mohotty stalen pennen door de wangen werden gedreven, zonder dat er één druppel bloed vloeit. Daarna gebeurt hetzelfde bij Mohotty: ‘Zijn wangen werden doorboord door bedienden, die daarna zijn armen van schouder tot pols vol prikten met naalden, kleine pijlpunten in zijn borst en buik prikten, zijn voeten in strakke houden klompen met spijkers staken en uiteindelijk met grote kracht een aantal vervaarlijke haken in zijn onderrug staken. Aan de haken waren touwen bevestigd en op deze merkwaardige wijze trok Mohotty een enorme slede voort, een soort draagstoel, die hij over de binnenplaats trok terwijl de haken zijn vlees straktrokken’ (171). Wanneer de haken worden verwijderd is er geen spoor van bloed. Ook zijn er geen wonden zichtbaar.

Overdonderd

Vervolgens komt de stoet aan bij een kuil die vol ligt met roodgloeiende kolen. Een medewerker van het team van National Geographic heeft een optische pyrometer bij zich, die 720 graden Celsius aangeeft. En dan begint de eigenlijke ceremonie: ‘De toeschouwers verstomden terwijl de eerste jongeman over het kolentapijt danste. Hij kronkelde [met] zijn hele lijf, schuifelde met zijn voeten en stak ze diep in het vuur. Een tweede man volgde, die handenvol sintels oppakte en over zijn schouders uitstrooide. Bijna twintig mensen, mannen, vrouwen, jongens, meisjes, liepen over het vuur. Sommigen liepen er meerdere keren overheen. Mohotty liep er vier keer overheen, twee keer met zijn eigen zoontje op zijn schouders’ (172).

Na afloop heeft Mohotty er geen bezwaar tegen om zich te laten fotograferen en onderzoeken. Er is geen spoor van blaren of brandwonden te zien. De Grosvenors waren overdonderd. Ze keerden midden in de nacht terug op hun kamer, maar konden de slaap niet vatten: ‘”Wat we hadden gezien, was echt”, schreven ze, “zo echt als het geloof waaraan deze mensen de immuniteit voor de pijn van het vuur en het staal ontlenen”’ (172).

Aan haken opgehangen

Een ander voorbeeld, eveneens door Pearce geciteerd: in 1967 stond er in Scientific American een reportage over een bizar ritueel: ‘Eeuwenlang werd er in een zeker dorp in India elk voorjaar iemand uitgekozen om te worden geofferd voor het nieuw aangeplante gewas. Het slachtoffer werd zorgvuldig ingewijd door de priesters, gezalfd tot tijdelijke god en met veel vertoon in de tempel op de troon gezet. Ten slotte werden op de fatale dag, ten overstaan van alle stammen, onder veel gebed en rumoer, twee grote haken, groot genoeg om een half rund aan op te hangen, door de rug van het slachtoffer geslagen. Door de ogen van de haken werden touwen getrokken, die werden vastgemaakt aan een lange paal die als een giek werd vervoerd op een ossenkar, en het slachtoffer werd als zoenoffer aan de vruchtbaarheidsgoden breeduit over de diverse nieuw aangeplante velden heen en weer gezwaaid’ (174).

Eeuwenlang overleefde niemand zo’n behandeling. Maar toen, zo’n 2000 jaar geleden, overleefde iemand het ritueel. Zonder pijn en zonder wonden bleef hij ongedeerd. Niemand weet waarom. ‘Hoe dan ook’, vertelt Pearce, ‘vanaf dat moment – toen het eenmaal duidelijk was dat dit mogelijk was – bleef ieder jaar het slachtoffer ongedeerd. De rol van slachtoffer kreeg een enorme status en degene die de rol vervulde werd gedurende het hele jaar geëerd. Hij werd gekozen door alle stammen. Tot op de dag van vandaag wordt dit nog zo gedaan, ondanks het feit dat de overheid het afkeurt. Op foto’s in Scientific American is te zien hoe uitgelaten het subject is, dat geen druppel bloed verliest en geen wonden vertoont, letterlijk geen spoor van gaten in zijn vlees, wanneer de enorme haken worden verwijderd’ (175).

Spiegel im Spiegel

In het boek De barst in het kosmisch ei van Joseph Chilton Pearce staan meer van dit soort bizarre voorbeelden. Ze dienen een doel. Pearce wil aantonen dat de menselijke geest tot veel meer in staat is dan we normaliter geneigd zijn te denken. Nee, Pearce verkondigt niet het New Age idee van mind over matter. Voor hem zijn geest en materie niet los van elkaar verkrijgbaar en zijn ze niet tegengesteld, maar hol en bol: ‘Dit boek laat zien hoe de geest en zijn werkelijkheid twee complementaire polen zijn in een ononderbroken continuüm (…)’ (15). Het boek verdedigt de stelling ‘dat onze geest de spiegel is van een universum dat de spiegel is van onze geest’ (15). Daar is volgens Pearce niets absurds aan. ‘De hindoe die over een kuil met withete houtskool loopt, en de wetenschapper die in een Eureka!-moment toegang krijgt tot een hoger niveau van de werkelijkheid, ze maken beiden gebruik van dezelfde werkelijkheidsvormende functie van de geest’ (16).

Ieder van ons bewoont volgens Pearce een ‘kosmisch ei’. Dat kosmische ei is het wereldbeeld of werkelijkheidsbeeld dat we hebben. Deels ontstaat zo’n werkelijkheidsbeeld uit ervaring, vandaar dat ook ieder mens in zekere zin zijn eigen kosmische ei bewoont. Maar deels wordt ons beeld van de werkelijkheid ook gevormd door de cultuur waarin we opgroeien. Onze cultuur bestaat zo uit talloze kosmische eieren die een grote mate van overlap en dus consensus vertonen. Ieder kind dat opgroeit, maakt zijn eigen kosmische ei, zijn eigen beeld van de werkelijkheid waarin hij leeft. De cultuur waarin het kind opgroeit bepaalt zeg maar de ‘randvoorwaarden’ of basisregels waar het ei aan moet voldoen.

Circulaire val

Dit leidt tot een soort ‘hersenspoeling’: we geloven dat het ei waarin we leven de werkelijkheid zelf is, en daardoor houden we het ei in stand: ‘Deze circulaire val waarin ons besef van de werkelijkheid gevangen zit, is ons kosmisch ei, een mentale schil die tegelijkertijd onze wereld is en onze wereld vormt, net zoals de wereld die zo gevormd wordt bepalend is voor onze geest en onze ervaringen’ (17). Of anders gezegd: ‘Het samenspel tussen onze representaties en reacties is zelfbevestigend en circulair’ (31).

Kinderen, zo meent Pearce, zijn, wanneer de cultuur nog geen vat op hen heeft, geneigd om veel meer voor mogelijk te houden dan volwassenen. Maar als ze volwassen worden en het voorbeeld van volwassenen overnemen, die hen vertellen wat werkelijk is en wat niet, wordt hun ei steeds kleiner. Wat mogelijk is neemt af, hun denkwereld conformeert zich aan die van anderen. En toch zijn er ervaringen mogelijk, die ons kunnen doen beseffen dat onze geest een werkelijkheidsvormend potentieel heeft dat wat wij voor mogelijk houden verre overstijgt. Pearce noemt als voorbeelden vuurlopen, maar ook spontane genezingen, wetenschappelijke ontdekkingen of psychedelische drugs. Dergelijke ervaringen kunnen de barst zijn in ons kosmische ei, waardoor we ineens de aanwezigheid van dat ei beseffen, en waardoor ook het besef kan doordringen dat het ei niet de werkelijkheid zelf is.

De werkelijkheid als constructie

Of anders gezegd: wanneer we ervaringen opdoen die de normaliteit van de ‘normale’ werkelijkheid lijken aan te tasten, komen allerlei veronderstellingen en regels, met behulp waarvan we ons dagelijkse leven leven, zelf ineens op de voorgrond te staan, waar ze bevraagd en betwijfeld kunnen worden. Wat we als de  logische orde van het heelal beschouwen, blijkt ineens helemaal niet zo logisch of vanzelfsprekend te zijn, geen gegeven maar een constructie.

Het boek verscheen oorspronkelijk in het Engels in 1971 en werd een cult-klassieker. Dat het boek in 1971 verscheen verklaart waarom hij bijvoorbeeld verwijst naar Carlos Castaneda en naar psychedelische middelen. Het mag niet verbazen dat het boek vooral in New Age kringen aansloeg. Toch doet het geen recht aan het boek en aan de schrijver om het tot esoterische New Age-literatuur te reduceren. Dit is geen pseudowetenschappelijk boek, noch een boek dat een zweverig wereldbeeld propageert. Van het bovennatuurlijke moet Pearce sowieso weinig hebben. Pearce gaat vooral serieus aan de slag met allerlei denkers (de ideeën van Jerome Bruner en Susanne Langer spelen een belangrijke rol in het boek, ook verwijst hij regelmatig naar Michael Polanyi, Carl Jung en zelfs naar de theoloog Paul Tillich).

Wel vraag ik me af waarom het zo lang heeft geduurd voordat dit boek in het Nederlands werd vertaald. De uitgave is overigens prachtig, mooi ingebonden en met een heel plezierige bladspiegel. Ook leverde Egbert van Heijningen een prima vertaling af.

Idealisme

Pearce’s boek staat in zekere zin in de filosofische traditie van het idealisme, vooral dat van George Berkeley. Pearce weet dit idealisme behoorlijk plausibel te maken. Sterker nog, Pearce weet uiteindelijk duidelijk te maken dat idealisme op materialisme uitloopt! Nergens wordt het boek zweverig, Pearce blijft uitzonderlijk nuchter. Enerzijds beseft hij dat onze geest werkelijkheidsvormend is, anderzijds beseft hij ook dat de cultuur een zo sterke grip heeft op onze geest, dat de psychedelische hoogstandjes van Don Juan (die zelfs door gesloten deuren kon lopen) eigenlijk onmogelijk zijn.

Pearce reflecteert zelfs over de mogelijkheid dat door de invloed van het natuurwetenschappelijk denken de geest steeds meer door zichzelf aan banden wordt gelegd. Of anders gezegd: misschien dat wonderen vroeger echt mogelijk waren, veel minder dan nu, omdat mensen toen nog stevig geloofden in de mogelijkheid van wonderen. Misschien dat we ons nu teveel laten beheksen door de macht van de natuurwetenschappen. De grip van de natuurwetenschappen op de cultuur wordt steeds sterker, en daarmee dus ook op onze geest, de manier waarop wij denken en dus ook op wat wij voor mogelijk of onmogelijk houden.

Overigens viel me pas na het lezen op dat de beroemde ‘Sferen’-trilogie van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk sterk resoneert met Pearce’s idee van het kosmische ei. Sloterdijk zet in die trilogie uiteen hoe mensen in verschillende sferen (naar analogie van zeepbellen) leven die ze zelf construeren. Ik weet niet of Sloterdijk het boek van Pearce kende, maar het zou interessant zijn om eens de overeenkomsten en verschillen uit te pluizen (wat ik overigens niet zelf van plan ben om te doen).

Toegegeven, Pearce is niet de beste schrijver. Sommige passages moest ik meerdere keren overlezen om ze te doorgronden, wat echt niet aan de vertaling ligt. Niettemin is dit een buitengewoon interessant boek, dat boeiender wordt hoe verder je komt. Sterker nog, nadat ik het uit had, heb ik het gewoon nog een keer gelezen. Pearce schreef ook een opvolger (Exploring the Crack in het Cosmic Egg, 1974), waarin hij een aantal belangrijke  nuanceringen ten opzichte van zijn eerste boek aanbrengt.  Precies vanwege die nuanceringen, die een verdieping van inzichten impliceert, is het te hopen dat uitgeverij Samsara ook dat vervolg gauw in het Nederlands uitbrengt.

De barst in het kosmisch ei. Nieuwe concepten over geest en werkelijkheid.

Joseph Chilton Pearce. (Vertaald door Egbert van Heijningen)

Samsara, 2017. Hardback. 326 pp.

ISBN 9789491411717. € 26,50

 

3 thoughts on “Geest, werkelijkheid en het kosmische ei (boekbespreking)

  1. Teade: Pearce noemt als voorbeelden vuurlopen, maar ook spontane genezingen, wetenschappelijke ontdekkingen of psychedelische drugs.

    Pschedelische drugs lijken me voor het verkrijgen van een verruimde blijk op de werkelijkheid
    (als voormalig ervaringsdeskundige in mijn jonge jaren), beslist niet aan te bevelen.

  2. Taede,

    In de originele Engelse uitgave staat op pag. 104 “Photographs in the Scientific American show the elation of the subject, who sheds no blood and shows no signs of a wound, literally no puncture signs in the flesh itself, when the huge hooks are removed”.
    Dat staat per se niet in de reprint die ik over dit onderwerp heb want daar is het volgende te lezen.
    [
    Today hooks are still set in living flesh each year in a few remote villages. I was recently able to witness such a ceremony. I must preserve the anonymity of both the village and the participants in the ritual, but I can say that it took place at the time of the April full moon. In this village the man to be swung must be selected from among the young married men of clan X, in spite of the fact that the village headman, the leading village families and all the richest farmers are members of clan Y. This privilege stems from the fact that the earliest immigrants in the area were members of clan X, and that it was they who first heard the call of the godMhatoba, in whose honor the ritual takes place.
    In this village the two swinging posts are set up in a cart that is used only on this one day of the year. Nowadays the celebrant’s weight is no longer borne by the hooks throughout the ceremony. Between swings he sits more or less comfortably astride a bar suspended from a crossbeam that is balanced between the two uprights [see illustration]. A new cross-beam is ceremonially cut each year in a jungle some 40 miles from the village; this jungle is said to be the place from which clan X originally migrated. Relays of specially chosen villagers carry the beam back to the village. They are permitted to put down their burden and rest only at specific points along the way.
    At the outset of the hook-swinging ceremony candidates for the honour gather with a group of electors under a specific tree outside the village. After the celebrant has been chosen the electors and the candidates return to the village, running through a sacred course in groups of three. The man in the middle of each trio is a member of clan X; he is flanked by men of clan Y. The celebrant and his two escorts are the last to run the course. When they have done so, the celebrant is led to the local temple. There he is ritually bathed, declared deva (temporarily divine) and dressed in a special costume (a red turban and red silk trousers) that leaves him naked from the waist up.
    The celebrant now goes to the site of the village’s annual holi (spring festival) bonfire. He stands on the fire’s ashes as the village carpenter thrusts the two steel hooks into the small of his back [see illustration]. Every man in the village crowds around to watch the operation. The celebrant is then decked with garlands and led to a nearby field. There the , drawn by a pair of bullocks, is waiting. A rope that is attached to each hook is looped behind the celebrant’s back and tied to the crossbeam, which rests on the two bagad uprights. The celebrant individually blesses each child born since the last hook-swinging; when this has been done, he makes his first swing suspended by the hooks. A cheer goes up, the god-elect nimbly climbs astride his resting bar and the cart jolts off across the fields.
    At prescribed points along the route the cart stops and the celebrant descends from the bar to make a predetermined number of swings.After all the village’s fields have been blessed in this manner, the procession continues through the fields of a neighboring village to the place where the god Mhatoba’s temple stands. The people have gathered from miles around. A number of goats are now sacrificed, the order of their slaughter being established by the rank of the clan offering the sacrifice.
    When the sacrifices are over, the hook ropes are united from the bagad beam and the god-elect climbs down from his bar. He enters the temple, the hooks are removed and his wounds are anointed with ashes from Mhatoba’s sacred fire. Once this is done the god-elect reverts to human status. During the ceremony I observed, the celebrant was in a state of exaltation and showed no trace of pain. Although he received no medical treatment other than the application of wood ash, two weeks later the marks on his back were scarcely visible.
    ]
    Wat jij citeerde was dermate ongeloofwaardig dat ik mij niet kon voorstellen dat de SA dat zo geschreven had. Dat bleek dus ook niet zo te zijn. Ik ken de SA sinds 1962 en die heeft door de jaren heen bewezen zeer betrouwbaar te zijn. Dit soort onregelmatigheden accepteer ik niet, dus voor mij hoeft Pearce niet meer. Ik heb sowieso niets met New Age.
    Overigens kon ik de referentie niet in de literatuurlijst vinden, maar misschien keek ik er overheen want de uitgave die ik heb is niet doorzoekbaar.

Comments are closed.

%d bloggers liken dit: