Borreltje (De Avonden, dag 7)

‘Weet je, wat het is?’ zei Frits, die niet op dezelfde plaats kopn blijven staan, ‘als ik een borrel op heb, klapwiek ik wel, maar ik kom niet van de grond. Van de grond kom ik niet.’ (De Avonden, 129.) Het zevende hoofdstuk is het meest luchtige van het boek. Het is grappig, de onderhuidse … Lees verder

Krant (De Avonden, dag 6)

Frits ging de trap af, vond de krant in de bus en bracht hem boven. ‘Hij werd in de bus gestopt, toen ik er voor stond,’ zei hij. (De Avonden, 97.) In dit hoofdstuk wordt de lezer opnieuw geconfronteerd met de onbetrouwbaarheid van Frits van Egters. Niets van wat hij zegt, kan zomaar worden geloofd. … Lees verder

Maurits (De Avonden, dag 5)

‘Je hebt me in ieder geval weer een gore zet geleverd, Egters,’ zei de man. ‘God beware! Wat dan?’ vroeg Frits. ‘Ja, verdomme, die Lande en dat wijf van hem aan de deur.’ (De Avonden, 80.) Ieder jaar als ik De Avonden lees, kijk ik met angst en beven uit naar de introductie van Maurits … Lees verder

Pissebed (De Avonden, dag 4)

Op het behang liep een pissebed. Hij nam een lucifer en streek deze zo dicht bij het insekt af, dat hij de kop nog tijdens de ontbranding op het beest kon houden. Het schrompelde in elkaar en viel op de vloer. (De Avonden, 63-64.) Dag 4 van De Avonden, Eerste Kerstdag, bevat alle elementen die … Lees verder

Horloge (De Avonden, dag 3)

‘Het is nu twintig minuten voor tien,’ dacht Frits, ‘als je de tijd, die mijn horloge voor loopt, afgetrokken hebt.’ (De Avonden, 53). De 24ste december staat in het teken van de verjaardag van Hansje, het kind van Jaap en Joosje. Frits is op zoek naar een cadeautje voor het kind en vindt een aluminium … Lees verder