Maurits (De Avonden, dag 5)

‘Je hebt me in ieder geval weer een gore zet geleverd, Egters,’ zei de man. ‘God beware! Wat dan?’ vroeg Frits. ‘Ja, verdomme, die Lande en dat wijf van hem aan de deur.’ (De Avonden, 80.)

Ieder jaar als ik De Avonden lees, kijk ik met angst en beven uit naar de introductie van Maurits Duivenis. Maurits wordt neergezet als een kleine crimineel, maar met flinke sadistische neigingen. Reve is schaars met details van zijn daden, en door de manier waarop Frits van Egters erover praat, lijkt het allemaal tamelijk onschuldig. Toch is het iemand die mij de kriebels geeft.

Alleen al zijn uiterlijk. Reve is meestal uiterst karig met het beschrijven van uiterlijkheden, maar Maurits Duivenis is daarop een uitzondering: ‘De man was iets korter van gestalte dan Frits en had zijn linkeroogholte bedekt met een zwart, ovaal lapje, dat door een donker koordje om het hoofd op zijn plaats werd gehouden. Zijn neus was klein, de mond had dunne, korte lippen en de huid van het hele gezicht had een onfrisse bleekheid. Op de schedel groeide dun gekruld geel haar. De grijze jas was te kort en sloot te ruim’ (79).

Het detail van de niet-passende jas, suggereert dat deze gestolen is. En hoe komt Maurits aan het ooglapje? Een ziekte? Heeft hij in de oorlog gevochten? Welk verleden verbergt dat stukje stof? Maurits is een onguur heerschap, zoveel is duidelijk.

Ik moet ook altijd meteen aan Nick Fury denken, een personage uit het Marvel-universum, een superspion met een ooglapje die met zijn organisatie SHIELD de wereld beschermt tegen buitenaards geteisem, maar die ook niet wegloopt van twijfelachtige handelingen. Maar waar Nick Fury uiteindelijk naar het goede overhelt, zo neigt Maurits Duivenis naar de dark side.

We lazen gisteren al dat Duivenis tweehonderd gulden had gestolen van Lande. Lande kwam gisteren bij Frits zijn verhaal doen. Hier laat Frits zich ook zien als een enorme leugenaar. De zaken die hij gisteren tegen Lande over Maurits zei, ontkent hij in dit hoofdstuk glashard en zonder enige aarzeling, wanneer Maurits hem ermee confronteert. De lezer wordt hier opnieuw geconfronteerd wordt met het feit dat Van Egters zelf ook een zeer onbetrouwbare persoon is, wiens woorden eigenlijk zelden serieus genomen kunnen worden. Liegt Frits uit angst voor Maurits? Of gewoon uit opportunisme? De alwetende verteller helpt ons niet veel verder.

Het zijn wel dergelijke details die je bezighouden, en die voor mij dit boek de moeite van het lezen waard maken.