Op het behang liep een pissebed. Hij nam een lucifer en streek deze zo dicht bij het insekt af, dat hij de kop nog tijdens de ontbranding op het beest kon houden. Het schrompelde in elkaar en viel op de vloer. (De Avonden, 63-64.)
Dag 4 van De Avonden, Eerste Kerstdag, bevat alle elementen die dit boek zo merkwaardig, bizar, fascinerend en wanstaltig maken. Op Eerste Kerstdag wordt de geboorte van de Heiland gevierd (‘”Hoort de kerstboodschap,” zei hij hardop, “de heiland werd geborend. Hij stierf op Golgotha, wiedewiedewiet sjient boem”‘ (72)). Het hele hoofdstuk ademt dood, sterfelijkheid, vergankelijkheid, maar ook berusting en apathie.
Ik vraag me ieder jaar weer af waarom ik dit boek telkens weer lees. Sinds 2015 heb ik ieder jaar van 22 december tot en met Oudejaarsdag dit boek gelezen. Ieder jaar opnieuw vraag ik me af wat dit boek wil zeggen, waar het om draait. Het boek valt niet samen te vatten en is bij vlagen ronduit weerzinwekkend.
En gek genoeg is het ook een boek dat een bepaalde invloed op mijn bewustzijn heeft. Laat me proberen dit uit te leggen. Ieder jaar als ik het boek weer uit de kast pak, weet ik welke gebeurtenissen erin voorkomen, wat er gebeurt en welke personages erin voorkomen. Maar ik kan me nooit herinneren precies wat er op welke dag gebeurt. Hoe komt dat?
Frits leeft alsof alle dagen hetzelfde zijn. Reve heeft die saaiheid pakkend weten te verwoorden, zozeer zelfs dat nadat ik het boek heb dichtgeslagen ergens op Oudejaarsdag en het voor een jaar weer in de kast zet, ik al niet meer weet wat er wanneer gebeurd is. Op detailniveau gebeurt er heel veel, maar tegelijkertijd is er door het gebrek aan verhaallijn en ontwikkeling ook een eentonigheid die er bij mij voor zorgt, dat niets echt blijft hangen. En precies dat zorgt ervoor dat ik nu al elf jaar ieder jaar dit boek opnieuw lees en er opnieuw door verrast word, omdat ik de precieze details van wat er gebeurt en wanneer, weer vergeten ben.
Leven en dood staan in De Avonden naast elkaar in een wanstaltige onverschilligheid. Frits die bijna gedachteloos een pissebed vermoordt met een lucifer, is daar een prima beeld van. Hij is zich er direct van bewust dat hij een grens is overgegaan: ‘”Een pijnlijke, doch snelle terechtstelling,” zei hij hardop. “Medelijden is uit den boze. Toch is het een zonde,” ging hij voort, de wijsvinger opstekend, “ik heb een levend wezen gedood”‘ (64).
Maar opnieuw, de ironische schrijfstijl is ambivalent; het blijft totaal onduidelijk of Frits deze woorden meent, of hij zich werkelijk schuldig voelt. Ik voel toch een sterke desinteresse bij Frits. Een desinteresse die zijn hele bestaan kenmerkt gedurende de tien dagen dat we hem volgen. Apathie die slechts doorbroken wordt in zijn bizarre, angstaanjagende dromen, en plotseling op Oudejaarsavond.
Maar laten we niet op de zaken vooruitlopen.