Close

Recensie: Anneke Smelik: "Ik, Cyborg"

Mijn RU-collega Anneke Smelik heeft een erg leuk boek geschreven over het beeld van cyborgs in onze huidige cultuur. Ik heb het boek onlangs gelezen en besproken voor VPRO’s Noorderlicht Recensie Team. Het boek is een aanrader!

De recensie is hier te vinden: https://www.dekennisvannu.nl/site/artikel/Mens-en-machine-versmolten/6182

(Hieronder volgt de recensie, voor het geval die ooit nog van Internet verdwijnt:)

Mens en machine versmolten

Van vroege robotachtige tot visioen in onze postmoderne samenleving: in ‘Ik, cyborg’, bechrijft Anneke Smelik de cyborg in al zijn facetten. Een visioen dat misschien zelfs bereikbaar is. Tegelijkertijd houdt het boek ons een spiegel voor.

Ooit was het idee dat mens en machine zouden kunnen versmelten voor velen een nachtmerrie. Vandaag de dag zijn ‘mensmachines’, oftewel cyborgs – cybernetische organismen, de symbiose van mens en technologie – voor velen een wenselijk ideaalbeeld of zelfs al realiteit. Dat betoogt Anneke Smelik, hoogleraar Visuele Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen in haar recent verschenen, en uitermate boeiende boek Ik, Cyborg. Smelik houdt ons met dit boek een spiegel voor, de spiegel van onze eigen cultuur.

De ondertitel van het boek luidt De mens-machine in populaire cultuur. Ze kijkt dus naar beelden van de symbiose van mens en computer zoals die met name in science fiction, in films en videoclips naar voren komen. Science fiction speelt zich meestal af in de toekomst maar is tegelijkertijd een weerspiegeling van huidige angsten en verlangens. Naast films als The Matrix, Terminator, Eternal Sunshine of the Spotless Mind, Inception en Minority Report, kijkt Smelik echter ook naar videoclips en reclames, en naar de mode- en textielindustrie.

Geschiedenis van de toekomst
Het boek begint met een beschrijving van de geschiedenis van het beeld van de cyborg, van vroege robot-achtigen, tot de humanoïde cyborgs (denk aan Commander Data uit Star Trek: The Next Generation) die hedendaagse films en tv-series bevolken. Het is het verhaal van angst voor de macht van machines die omslaat in verliefdheid en zelfs liefde. Kunstenaars als Stelarc en wetenschappers als Marvin Minsky en Kevin Warwick stellen zelfs dat het onze plicht is als mens om cyborgs te worden.

Vervolgens beschrijft Smelik hoe cyborgs iconen van onze postmoderne samenleving zijn geworden, in een beeldcultuur waarin niets meer vaststaat en waarin alles voortdurend aan het smelten is, en die nauw samenhangt met de opkomst van mediatechnologie die niet alleen invloed heeft ‘op het verhaal dat verteld wordt, maar ook op de manier waarop de kijker de film beleeft. Ik wil hier zelfs stellen dat mediatechnologie in hoge mate onze blik op de werkelijkheid bepaalt en verandert’. In onze cyborg-cultuur heeft een overgang van representatie naar simulatie plaats, zo constateert Smelik met filosofen als Zizek en Baudrillard: ‘Digitale technologie bewerkstelligt dan ook een postmoderne verstrengeling tussen echt en onecht, reëel en virtueel, die niet meer ongedaan te maken is’.

Die vervaging van grenzen is één van de karakteristieken van onze cyborg-cultuur en speelt in het boek een centrale rol. Niet alleen vervagen abstracte grenzen tussen echt en onecht, en tussen mens en machine, maar ook die tussen de seksen en de rollen die daarbij horen. Zo laat Smelik zien hoe in de loop van de jaren mannelijke cyborgs hun stoere mannelijkheid (Schwarzenegger in The Terminator) hebben afgelegd voor kwetsbare, twijfelende, zoekende metroseksuelen, terwijl vrouwelijke cyborgs vooral stoer, sterk én sexy zijn geworden. In veel films, waaronder The Matrix, ‘worden de acteurs en actrices zodanig gegrimeerd en gekleed dat ze nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn in hun androgyne verschijning’.

Digitale tunneltrip
Grenzen vervagen ook met betrekking tot ruimte en tijd. Zo vergelijkt Smelik de beelden van de ‘digitale tunneltrip’ in science fiction films met die in medische documentaires, waarbij ze stelt dat beide beelden elkaar wederzijds beïnvloeden. Hierdoor ontstaat een paradox: terwijl cybercultuur gekenmerkt wordt door de wens los te komen van het biologische lichaam, wordt er bij uitstek gebruik gemaakt van allerlei metaforen en beelden die aan het lichamelijke zijn ontleend worden. Dat geldt ook voor de tijdbeleving en geheugen. In science fiction films wordt het geheugen gematerialiseerd (herinneringen worden als concrete gebeurtenissen voorgesteld), en in veel films is sprake van ‘een gefragmenteerd verhaal waarin de grenzen tussen heden, verleden en toekomst door elkaar lopen’. Het hoofdstuk over tijd, geheugen en identiteit (hoofdstuk 6) is het moeilijkste want meest abstracte van het boek, ofschoon het eye-openers bevat.

Het zevende hoofdstuk gaat over draagbare technologie als ‘cybercouture’ (technologische ontwerpen uit de ‘haute couture’) en ‘technomode’ (als technologische kleding die op straat wordt gedragen). Technologische mode maakt bij uitstek duidelijk hoe intiem lichamelijkheid en technologie zich tot elkaar verhouden. Dat geldt ook voor het toenemende ideaal van het haarloze lichaam.

Identiteit in wording
Het laatste hoofdstuk is een soort epiloog, waarin Smelik een aantal lijnen samentrekt. Allereerst is duidelijk dat in beelden van cyborgs in populaire cultuur grenzen vervagen: grenzen tussen mens en machine, tussen natuur en cultuur, tussen man en vrouw, grenzen van tijd en ruimte, feit en fictie, binnen en buiten. Een tweede rode draad is de ambivalente rol van het lichaam. Sommige cyborg-adepten menen dat het menselijk lichaam verouderd is. Eronder blijkt de drang te schuilen het lichaam te kunnen beheersen, om uiteindelijk onsterfelijkheid te kunnen bereiken. Toch kan virtualiteit niet zonder materialiteit, en dus niet zonder een vorm van belichaming. Een derde rode draad is de kwestie van identiteit. Identiteit blijkt niet iets te zijn dat we hebben, maar dat voortdurend in wording is, en die samengaat met de versmelting met technologie. De cyborg-identiteit moet steeds weer uitgevonden worden, is vloeiend zoals ook onze postmoderne samenleving vloeiend is geworden.

Dit boek is interessant voor een heel breed publiek, maar is vooral een aanrader voor wie geïnteresseerd is in de invloed van technologie op het menselijk leven, en met name op de wijze waarop mensen zichzelf zien, waarop ze over zichzelf denken en over de werkelijkheid om hen heen. Het is een filosofisch boek, maar Smelik vermijdt vakjargon en schrijft luchtig en vaak met milde ironie en humor. De manier waarop Smelik naar films kijkt, doet het verlangen opkomen om die films opnieuw te gaan bekijken.
Ofschoon ze af en toe (vooral impliciet) morele oordelen velt over bepaalde ontwikkelingen (zoals over de fixatie op het haarloze lichaam) en realistisch blijft (ze is wars van utopisch denken), wordt ze nergens moraliserend en is haar conclusie over de cyborgmens uiteindelijk gebalanceerd en positief:

‘De cyborgmens is een dusdanig samengesmolten eenheid dat we niet meer kunnen onderscheiden wat mens en wat machine is. Dit is wellicht ook onnodig, want technologie is niet langer iets vijandigs dat ons leven en ons lichaam binnendringt, maar iets dat ons verrijkt en verbetert, waardoor we meer dan ooit met de wereld verbonden zijn. Misschien is de uitspraak “ik, cyborg” een visioen van een mens die droomt cyborg te zijn, maar de droom ligt al wel binnen ons bereik.’ (191, typo gecorrigeerd)

TitelIk, cyborg – De mens-machine in de populaire cultuur
Auteur: Anneke Smelik
Uitgever: Eburon, 2012
paperback, 208 pagina’s, 19,95 euro 
ISBN: 9789059725928

%d bloggers liken dit: