Gerdien de Jong reageert andermaal op Van Woudenberg…

Al een tijdje ligt Gerdien de Jong met René van Woudenberg in de clinch over Van Woudenbergs artikel in Omhoog kijken in Platland. De Jong publiceerde een reactie op het artikel op dit weblog, waarna Van Woudenberg terugsloeg met zijn gastbijdrage. Door De Jongs afscheid aan de Universiteit van Utrecht heeft een nieuwe reactie van haar kant even op zich laten wachten. Vorige week echter kreeg ik van De Jong onderstaande tekst toegestuurd, die hier integraal wordt gepubliceerd.


Van Woudenberg probeert blufpoker

Gastbijdrage van Dr. Gerdien de Jong

René van Woudenberg demonstreerde in hoofdstuk 17 van Platland zijn volledige gebrek aan begrip van de theorie van kinselectie. Nadat Van Woudenberg daar door mij in niet mis te verstane bewoordingen op gewezen was (http://tasmedes.web-log.nl/tasmedes/2007/10/gerdien_de_jong.html), komt hij met een weerwoord dat evenmin enig begrip van de theorie van kinselectie of enige tekenen van het doen van huiswerk vertoont (http://tasmedes.web-log.nl/tasmedes/2007/11/gastbijdrage_va.html#comments).

Nu had ik weinig tijd om weer een antwoord op Van Woudenberg te schrijven, maar ik zie dat Arno Wouters in commentaar 10 bij het weerwoord van Van Woudenberg netjes uitlegt dat ook voor Van Woudenberg’s blogbijdrage geldt: ”Kortom, Woudenbergs niet uitgekomen verwachtingen zijn niet zozeer ontsproten aan TKS (Theory of Kin Selection), alswel aan Woudenbergs gebrek aan begrip van die theorie.”.

Vreemd genoeg ontkent Van Woudenberg in zijn blogbijdrage dat hij de de theorie van verwantenselectie (kin selection) verkeerd begrepen heeft. Deze ontkenning, en de rest van wat Van Woudenberg beweert, is een spelletje bluf: Van Woudenberg begreep niets van kinselectie en begrijpt niets van kinselectie, en hij heeft niet de moeite genomen genoeg te lezen om zelfs enig idee te hebben hoe diep zijn onbegrip is. Hij heeft zelfs nooit nauwkeurig gelezen: voor zijn blogbijdrage alleen even gescand voor een citaat. Desondanks blijft Van Woudenberg bij zijn eerste opvatting. Het alternatief zou zijn: toegeven van onwetendheid en onbelezenheid wat betreft evolutiebiologie. Dan zou direct de vraag naar voren komen: Meneer van Woudenberg, waar bent u in die boekjes eigenlijk mee bezig?

In het volgende komt nu:

  1. waarom Van Woudenberg niets van kinselectie begrijpt: niet om te beginnen en nog steeds niet
  2. commentaar op het huiswerk van Van Woudenberg voor het onderdeel 3 van hoofdstuk 17 van Platland
  3. commentaar op het huiswerk van Van Woudenberg voor zijn blogbijdrage
  4. Van Woudenberg en de literatuur over de evolutionaire oorsprong van de moraal
  5. over de evolutionaire oorsprong van de moraal
  6. Van Woudenberg over moraal
  7. de laakbare algemene redenering van Van Woudenberg in hoofdstuk 17 van Platland.

Aan het einde blijven we zitten met de volgende onbeantwoorde vragen aan de hand van de boeken Schitterend Ongeluk, Worm en Platland.:

Hoe weinig hoeft iemand te weten om weg te willen komen met valse voorlichting over evolutiebiologie?

Waarom wordt kritiek op evolutiebiologie klakkeloos en zonder enig huiswerk geaccepteerd?

Waarom blijft evolutiebiologie Van Woudenberg in zijn strot steken?


1. Waarom Van Woudenberg niets van kinselectie begrijpt: niet om te beginnen en nog steeds niet

Op blz 350 van Platland schrijft Van Woudenberg:

De bereidheid tot altruistisch gedrag is volgens Hamilton dus direct evenredig aan de mate van genetische verwantschap. … Deze theorie is vergaand en met mathematische precisie uitgewerkt. Voor het vervolg is het echter niet van belang die finesses voor ogen te hebben, want wat ik wil zeggen heeft uitsluitend betrekking op het grondidee van deze theorie. En dat grondidee is dat altruistisch gedrag direct evenredig is aan genetische verwantschap, hetgeen twee dingen betekent: (1) als er altruïstisch gedrag is, dan is er genetische verwantschap en (2) als er genetische verwantschap is, dan is er altruistisch gedrag. Samengevat door Van Woudenberg: Hoe meer verwantschap, hoe meer altruïstisch gedrag (blz 350, cursivering, hier vet, door Van Woudenberg).

Vervolgens geeft Van Woudenberg drie argumenten waarom deze theorie niet op zou gaan:

1 Immers, dat vrijwel alle sexueel zich voortplantende organismen de helft van hun genen delen met hun nakroost, is een gelijkblijvend feit, maar wat niet gelijk is, is de mate waarin ouders zich altruistisch gedragen ten opzichte van hun nageslacht. (blz 350).

2 Stel dat 100 pasgeboren babies in een ziekenhuis van wieg worden verwisselt, en dat de moeders dat niet in de gaten hebben. Dan zouden, als de theorie correct is, deze moeders geen enkel altruistisch gedrag vertonen jegens hun babies, want er is geen genetische verwantschap tussen moeder en baby. (blz 351)

3 De theorie van verwanten selectie zegt dat altruistisch gedrag uitsluitend samenhangt met de mate van genetische verwantschap. (blz 351)

De drie argumenten zijn voldoende om de theorie die Van Woudenberg omschrijft als verwantenselectie naar de prullemand te verwijzen. Alleen, Van Woudenbergs idee van kinselectie heeft geen enkele relatie met wat biologen onder kinselectie verstaan. Ook nadat hem dat verteld is, blijft Van Woudenberg volharden in zijn misvattingen.

  • Kinselectie beweert niets over gedrag en verwantschap, laat staan een rechtevenredige relatie tussen altruïstisch gedrag en verwantschap.
  • Kinselectie beweert niets over altruïsme tussen ouders en kinderen.
  • Kinselectie beweert niets over wanneer altruïsme zal optreden.
  • Kinselectie gaat over de gevolgen voor fitness van een gen voor mutant gedrag.
  • Kinselectie gaat over de vraag of het mutante gedrag netto een hogere of lager fitness heeft.
  • Kinselectie gaat over de snelheid van selectie voor het gen voor het mutante gedrag.

Van Woudenberg weet niet het verschil te maken tussen gedrag, fitnessgevolgen van gedrag en selectie voor gedrag. Door mijn kritiek (en niet eerder) wist Van Woudenberg van de regel van Hamilton, maar hij blijkt deze niet te kunnen lezen. Ik haalde Wikipedia aan, om een gemakkelijk bereikbare bron te geven, en Wikipedia is duidelijk (http://en.wikipedia.org/wiki/Kin_selection).

Formally, such genes should increase in frequency when rB − C > 0 where r = the genetical relatedness of the recipient to the actor, usually (and originally) defined as the probability that a gene picked randomly from each at the same locus is identical by descent. B = the additional reproductive benefit gained by the recipient of the altruistic act, C = the reproductive cost to the individual of performing the act.

De kernzin in Wikipedia is:

Formally, such genes should increase in frequency when rB − C > 0 .

Van Woudenberg schrij
ft dan:

Wat is nu de relatie tussen altruïsme en de Regel van Hamilton? (De Jong is daar in haar stuk niet helemaal duidelijk over). TKS legt de relatie als volgt: altruïstisch gedrag zal voorkomen als rB – C > 0. En ook geldt het omgekeerde verband: als er altruïstisch gedrag optreedt, is rB – C > 0.

Wat Van Woudenberg zegt is niet wat Wikipedia zegt. Wikipedia begint met Formally, such genes should increase in frequency when, en Van Woudenberg heeft dat niet zien staan, of over het hoofd gezien, of hij kan niet lezen, of hij begrijpt totaal niets van fitness, of hij begrijpt totaal niets van selectie. De regel van Hamilton vertelt niet wanneer altruïstisch gedrag zal voorkomen. De regel van Hamilton zegt al helemaal niets over verwantschap wanneer altruïstisch gedrag voorkomt. Zoals Arno Wouters zegt: Terwijl Hamiltons regel dus iets zegt over de uitbreiding van een bestaand gen in een populatie zegt Woudenbergs weergave van die regel iets over een te verwachten verschijnsel op een globaal niveau (nl. een patroon in het optreden van altruïsme bij alle organismen). Dat is heel wat anders!. De volgende opmerking van Van Woudenberg laat zien hoe weinig hij van altruïsme en de Regel van Hamilton begrijpt: (De Jong is daar in haar stuk niet helemaal duidelijk over). Er bestaat geen relatie tussen altruïsme en de Regel van Hamilton: de regel van Hamilton gaat over de voorwaarde voor de toename in frequentie van een gen.

Dus vanaf het begin.

Veronderstel een populatie waarin iedereen hetzelfde genotype heeft. Ieders gedrag is dan in principe gelijk. Ieders fitness is dan gelijk, en ieders relatieve fitness is gelijk aan 1. In deze populatie komt een mutatie, een gen dat een verandering in sociaal gedrag van een individu met dat gen veroorzaakt. In de eerste paar generaties is het lot van een nieuwe mutatie door toeval bepaald. Na een paar generaties kan selectie effectief worden.

Een individu I met dat mutante gen bevoordeelt een ander individu J, zodat individu J een vermeerdering in relatieve fitness van grootte B krijgt (dwz, individu B heeft nu fitness 1+B). Het gedrag brengt kosten, te betalen in fitness, voor individu I met zich mee, zodat individu I nu fitness 1-C heeft. Het gen dat dit sociale gedrag veroorzaakt zal toenemen in de populatie als er een netto fitness voordeel is, dus als de relatieve fitness van dat gen groter is dan relatieve fitness waarmee iedereen begon: dat is, als 1+rB-C>1, dus als rB-C>0, waarin r de kans is dat het gen in individu J aanwezig is. De kans dat het gen in individu J aanwezig is, kunnen we uitrekenen voor verwanten.

  • Er is geen bewering dat het gedrag op verwanten gericht wordt.
  • Er is geen bewering dat individuen verwanten herkennen.
  • Er is alleen een voorwaarde die nodig is om het gen voor het gedrag (waarvan we weten dat het met een interactie tussen individuen te maken heeft, en verder niets) in frequentie te doen toenemen.
  • Er is geen bewering over het gedrag zelf.

Nu staat B voor de toename in relatieve fitness van de ontvanger van het gedrag, individu J. C staat voor afname in relatieve fitness die individu I, de uitvoerder van het gedrag maakt. Die twee getallen geven de gevolgen voor fitness van het gedrag aan, en daarmee kunnen ze beschouwd worden als een indicatie voor de verandering van het gedrag onder invloed van het gen waar we het over hebben, en de verandering in altruïsme, als wij het betrokken gedrag als altruïstisch zien. B en C staan niet noodzakelijkerwijs voor alle fitness kosten en baten die met altruïstisch gedrag te maken hebben. Immers, de populatie waarin dit gen zich uitbreidt kan al om te beginnen altruïstisch gedrag vertoond hebben, zodat het alleen om selectie voor een verhoging van wat wij als altruïstisch gedrag zien gaat.

Laten we aannemen dat het mutante gen dat tot een verandering in het sociale gedrag leidde een netto fitness voordeel had, en dat dit mutante gen als gevolg daarvan gefixeerd wordt in de populatie. Elk individu in de populatie vertoont nu gedrag dat tot hogere fitness voor een ander leidt, en maakt daarvoor fitness kosten. Elk individu ontvangt nu van een ander gedrag dat tot hogere eigen fitness leidt, waarvoor de ander kosten maakt. Iedereen vertoont nu hetzelfde gedrag, tegen alle individuen in de populatie. Op dit moment is het irreëel fitness kosten en baten te gaan tellen voor een gedrag dat iedereen vertoont. Iedereen heeft weer relatieve fitness 1.

Nu de Argumenten:

(1) Immers, dat vrijwel alle sexueel zich voortplantende organismen de helft van hun genen delen met hun nakroost, is een gelijkblijvend feit, maar wat niet gelijk is, is de mate waarin ouders zich altruistisch gedragen ten opzichte van hun nageslacht. (blz 350).

Ten eerste, kinselectie gaat over fitness verschillen tussen individuen met verschillend gedrag in dezelfde generatie van een populatie. Dit laat ook het citaat van Hamilton dat Van Woudenberg op blz 350 geeft zien: ‘We verwachten te zullen vinden dat niemand bereid is zijn leven op te offeren voor één enkele persoon, maar dat iedereen zijn leven zal opofferen voor méér dan twee broers, of vier halfbroers, of acht volle neven’.. Fitness wordt nl geturfd als het aantal onafhankelijk geworden kinderen dat een individu met een bepaald genotype bij zijn geboorte kan verwachten te produceren. Bij ouderzorg kan men wel op een vergelijkbare manier met fitness kosten en baten voor de ouders werken, maar formeel is dit geen kinselectie.

Ten tweede, ouderzorg hangt af van de ecologie en fylogenie van de groep, dus van hun omstandigheden en hun overgeerfde gedrag. Placentale zoogdieren hebben bv weinig keus in initiele ouderzorg: ze kunnen geen eieren leggen en moeten jongen zogen. Legselgrootte in vogels hangt af van de soort (bv koolmees) en waar ze wonen (voor koolmees dennenbos of loofbos).

(2) Stel dat 100 pasgeboren babies in een ziekenhuis van wieg worden verwisselt, en dat de moeders dat niet in de gaten hebben. Dan zouden, als de theorie correct is, deze moeders geen enkel altruistisch gedrag vertonen jegens hun babies, want er is geen genetische verwantschap tussen moeder en baby (blz 351)

Ten eerste, het gaat weer over ouders en kinderen, en daarmee formeel niet over kinselectie.

Ten tweede, bij kinselectie zou na afloop van selectie elk individu hetzelfde gedrag zou vertonen tegen elk ander individu. In dit specifieke geval zouden trouwens alle babies even goed verzord worden, dus zijn er geen selectieve verschillen.

(3) De theorie van verwanten selectie zegt dat altruïstisch gedrag uitsluitend samenhangt met de mate van genetische verwantschap. (blz 351)

Zie boven: als er genetische verschillen in de populatie zijn, hangt netto relatieve fitness van het betrokken gen voor gedrag af van de waarde van r, maar na afloop van selectie is iedereen gelijk en vertoont iedereen hetzelfde gedrag.

Geen van de drie argumenten heeft enige relatie met kinselectie.

In zijn blogbijdrage schrijft Van Woudenberg:

Samenvattingen van dezelfde aard vindt men steeds weer in de post-Hamilton literatuur. Ik geef twee willekeurige voorbeelden: “We expect reproductive altruism … to be associated with benefits to relatives” (Robert Trivers, Social Evolution, Menlo Park: Benjamin/Cummings, 1985, p. 169), en: “The Darwinian, therefore, expects stronger acts and sentiments of altruism towards one’s own children, rather than (say) to one’s siblings children. And likewise, as the circle of relatedness widens, there will be some help given toward lesser relatives, but not as much as towards greate

r relatives” (Michael Ruse, Taking Darwin Seriously. Oxford: Blackwell, 1986, p.220).

Wat Michael Ruse zegt doet er niets toe: dit is een derde of vierde hands weergave door een niet-bioloog.

Robert Trivers is een bioloog die op dit gebied werkt, dus zijn boek doet er wel toe al is het al van 1986. In dit geval noemde de bron van Van Woudenberg voor zijn verhaal over kinselectie hoofdstuk 6-8 van het boek van Trivers. Hoofdstuk 8 heet ‘Reproductive Altruism’. Van Woudenberg citeert zin 3 van het hoofdstuk 8. Even doorlezen is nuttig. Zin 6 zegt “Although kinship is critical to each of these (cases) we shall see that it can have very different effects in different groups”. Ook in dit speciale geval van familiegroepen waarvan sommige leden niet reproduceren is er geen algemene regel Hoe meer verwantschap, hoe meer altruïstisch gedrag.


2. Commentaar op het huiswerk van Van Woudenberg voor het onderdeel 3 van hoofdstuk 17 van Platland

Met wat citaten kun je heel snel proberen indruk te maken op mensen die nog minder weten dan jijzelf. Citaten hoef je niet uit het oorspronkelijke boek te halen, en citeren kan zonder dat je iets leest. Mijn tweedejaarsstudenten proberen dat ook wel eens: uit een artikel een verwijzing naar een tweede artikel halen, en dan artikel twee in de literatuurlijst opvoeren alsof het gelezen en begrepen is. Alleen de samenvatting van een artikel lezen is ook zo’n gangbare manier om het doen van werk te vermijden. Mijn tweedejaarsstudenten hopen daarmee weg te komen, net als Van Woudenberg.

Het gaat hier om de behandeling van kinselectie in het derde onderdeel van Van Woudenberg’s hoofdstuk. Dit onderdeel heet: “Evolutionaire verklaringen van morele handelingen (I): de verwantentheorie”, en loopt van blz 347 onderaan tot blz 353 van Platland.

Het is belangrijk na te gaan waar Van Woudenberg zich op baseert, dus wat hij noemt als relevante literatuur. Op blz 349 zegt Van Woudenberg: “De eerste theorie, ontwikkeld door R.A. Fisher, J.B.S. Haldane, William D. Hamilton, en vooral gepopulariseerd door Richard Dawkins14, is de theorie van ‘inclusive fitness’, ook wel genoemd de theorie van ‘verwanten selectie’ (‘kin selection).” Noot 14 geeft verwijzingen: boek van Fisher 1930, boek van Haldane 1932, artikel van Hamilton in Journal of Theoretical Biology 1964, en The Selfish Gene van Dawkins 1976.

Verder haalt Van Woudenberg tweemaal een boek van David Stove aan, Darwinian Fairytales, op blz 350 (noot 16), en op blz 352 (noot 17). In noot 17 verwijst Van Woudenberg naar het boek van David Stove voor aanvullende argumenten tegen kinselectie, nl naar Darwinian Fairytales blz 198-247. Van Woudenberg voetnoten suggereren dat Van Woudenberg’s bronnen Fisher, Haldane, Hamilton, en Dawkins zijn voor kinselectie, en Stove tegen kinselectie.

Nu heeft Van Woudenberg de genoemde boeken van Fisher en Haldane nooit gelezen: dat van Fisher niet, omdat Fisher niet over kinselectie geschreven heeft. Dat van Haldane niet, omdat Haldane in dit genoemde boek uit 1932 niets over kinselectie opmerkt. Haldane doet dat een twintig jaar later in een andere publicatie. Het artikel van Hamilton is de standaardverwijzing, maar vreemd geciteerd: daar kom ik nog op terug. Dawkins geeft weer hoe selectie op altruisme kan werken in The Selfish Gene. Hoewel Van Woudenberg deze boeken noemt, geeft hij in dit onderdeel geen enkele specifieke verwijzing naar Dawkins, Fisher of Haldane.

In 1995 publiceerde de filosoof David Stove het boek Darwinian Fairytales, bij “Avebury Series in Philosophy”. David Stove was een Australiër, en is overleden in 1994. (Dit soort gegevens is via Wikipedia en Amazon regelrecht van internet te betrekken). In 2006 kwam een herdruk van zijn boek Darwinian Fairytales uit, bij “Encounter”. Ik ga ervan uit dat dit een ongewijzigde herdruk is. Van Woudenberg noemt Darwinian Fairytales, 1995, uitgegeven bij Encounter, in hoofdstuk 17 van Platland, zodat ik veronderstel dat hij de heruitgave gebruikt heeft. De UniversiteitsBibliotheek Utrecht heeft een 1995 Avebury Series in Philosophy exemplaar. Als ik een bladzijnummer noem, is dat aan de hand van de 1995 druk van Avebury Series in Philosophy. Van Woudenbergs blz198-247 zullen corresponderen met Essay VIII, blz 137-170 in de door mij gebruikte druk.

Van Woudenberg heeft voor hoofdstuk 17 van Platland duidelijk gebruik gemaakt van Darwinian Fairytales . Zo citeert Van Woudenberg op blz 342 G.C. Williams:

“… het organisme kiest … …. de strategie van de genen”,

een passage uit G.C. Williams’ boek Adaptation and Natural Selection (1966), zoals Van Woudenberg in noot 3 opgeeft. Het is het enige citaat bij Van Woudenberg uit het boek van Williams. Exact ditzelfde citaat is het motto van Essay X in Darwinian Fairytales, blz 178:

“… the organism chooses … … the strategy of the genes”.

Stove geeft de verwijzing, en Van Woudenberg kan de verwijzing gewoon overnemen.

Zo omgaan met verwijzingen is niet verboden maar niet netjes; het citaat suggereert dat Van Woudenberg het boek van Williams gelezen heeft, maar er is geen enkele aanwijzing dat dit werkelijk het geval is.

Van Woudenberg heeft zijn argumentatie over kinselectie enkel en alleen van Stove. Van Woudenberg geeft precies de argumentatie van Stove, en niets anders. Zie voorbeelden in de tabel voor overeenkomsten tussen deel 3 van hoofdstuk 17 van Platland en Essay VIII van Darwinian Fairytales.

Stove EssayVIII blz 137-170 Van Woudenberg hoofstuk 17 onderdeel 3b, blz 349-353

Blz 137

‘What R.A. Fisher, J.B.S. Haldane and especially W.D. Hamilton realized, …”

De verwijzingen naar het boek van Fisher en het artikel van Hamilton worden gegeven in Stove.

Blz 349

“De eerste theorie, ontwikkeld door R.A. Fisher, J.B.S. Haldane, William D. Hamilton, en vooral gepopulariseerd door Richard Dawkins14, is de theorie van ‘inclusive fitness’, ook wel genoemd de theorie van ‘verwanten selectie’ (‘kin selection).”

< p>Fisher 1930, Haldane 1932, Hamilton ,1964 Dawkins 1976.

Blz 141

As Hamilton first formulated it, the theory was both formidably mathematical, and hedged with many biological qualifications. No doubt, between 1964 and now, the mathematics of it have become even less accessible ….

Blz 350

Deze theorie is vergaand en met mathematische precisie uitgewerkt. Voor het vervolg is het echter niet van belang die finesses voor ogen te hebben, ….

Blz 140

… the theory predicts that the degree of altruism will depend just on the degree of relatedness.

Blz 350

En dat grondidee is dat altruistisch gedrag direct evenredig is aan genetische verwantschap …

Blz 142

Another name for it that is often used, the ‘theory of kin selection’, is positively misleading. For these reasons, I will in what follows sometimes refer instead to the theory as ‘the shared genes theory of kin altruism’,

Blz 350

Daarom kan men deze theorie het beste de ‘gedeelde genentheorie van altruisme ten opzichte van verwanten’ noemen.16

Noot 16: zoals Stove Darwinian Fairytales terecht zegt.

De naam gegeven door Stove is niet terecht, maar toont volledig onbegrip.

blz 143 bovenaan tot halverwege = argument 1

Namely, that this characteristic – each parent sharing half of its genes with each offspring – is common to virtually all sexually reproducing species whatever, whereas parental altruism varies in these species as widely as it can vary.

Blz 350 argument 1

Immers, dat vrijwel alle sexueel zich voortplantende organismen de helft van hun genen delen met hun nakroost, is een gelijkblijvend feit, maar wat niet gelijk is, is de mate waarin ouders zich altruistisch gedragen ten opzichte van hun nageslacht.

Blz 148

Well, let us suppose that on a certain day, every child who is born anywhere in the world is somehow (it does not matter how), given to the wrong mother, and that no one even suspects that this has happened, or ever will expect it. What will be the effect of this switch, on the altruism of the parents towards ‘their’ babies who are born on this day?

…………

The parents, and the baby they take home, are simply not related to one another … at all. Every one of these babies, consequently, is going to feel the effects of a total absence of parental altruism towards it.

Blz 351 argument 2

Stel eens dat op een kwade dag in een bepaald ziekenhuis alle honderd pasgeboren babies van wieg worden verwisseld en de moeders dat niet in de gaten hebben. Dan zouden, als de theorie correct is, deze moeders geen enkel altruistisch gedrag vertonen tegen hun babies, want er is geen genetische verwantschap tussen moeder en baby

Blz 143

According to the shared genes theory of kin altruism, the helpfulness of human brothers and sisters towards another is due to their having … half of their genes in common; just as the helpfulness of human parents towards their children is supposed to be due to their having exactly half their genes in common. If this is true, then what vast quantities of altruism must exist … in all those species that reproduce parthenogenetically or by fission!

(examples: dandelions, bacteria, respectively)

Blz 144

For between sister bacteria, and between parthenogenetically reproducing dandelions and their offspring, there is no kin altruism.

Blz 351 argument 3

Gelijke mate van genetische verwantschap betekent gelijke mate van altruistische gedrag. …

(i) … Dat betekent dat bacteriezussen 100% gelijke genen hebben. En dat, als de theorie correct is, ze extreem altruistisch gedrag voor elkaar zouden vertonen.

(ii) Elke ouder deelt 50% genetisch materiaal met zijn / haar kinderen.

(iii) Broers en zussen hebben 50% gelijke genen. En dus doet de theorie verwachten dat broers en zussen in het algemeen veel voor elkaar over hebben.

Dat blijkt al niet zo te zijn bij bacteria (om van rhododendrons nog maar te zwijgen), ….

 

Waarom de rhododendron verschijnt wordt niet uitgelegd:

Rhododendron vervangt om onduidelijke redenen ‘dandelion’ = paardebloem.

Paardebloemen zijn (meestal) asexueel, rhododendrons niet.

Blz 156

Hamilton wrote that ‘we expect to find that no one is prepared to sacrifice his life for any single person but that everyone will sacrifice it for more than two brothers, or four half-brothers, or eight first cousins’.19

Note 19, verwijzing naar Hamilton, 1964, The Genetical Evolution of Social Behaviour’, Journal of Theoretical Biology 7, 1-52; blz 16

Blz 350.

Hamilton geeft zelfs precieze verhoudingen aan: ‘We verwachten te zullen vinden dat niemand bereid is zijn leven op te offeren voor één enkele persoon, maar dat iedereen zijn leven zal opofferen voor méér dan twee broers, of vier halfbroers, of acht volle neven’.15

Noot 15: Hamilton, ‘The Genetical Evolution of Social Behaviour’, p 16.

(Dat is: 1964, Journal of Theoretical Biology 7, 1-52; blz 16)

 

Enig citaat van Hamilton bij Van Woudenberg.

Zie aantekening over dit citaat van Hamilton onder deze tabel.

Blz 143

No one believes that Sydney’s noon temperature each day, or on a given day, depends on its latitude. The reason is obvious: that Sydney’s latitude is constant, whereas its noon temperature varies greatly from day to day.

Blz 350

Niemand gelooft dat de temperatuur in Amsterdam exclusief afhankelijk is van de liggingshoogte van Amsterdam. Immers, de hoogte van Amsterdam blijft het hele jaar gelijk, maar de temperatuur in die stad niet.

Blz 154

To a certain extent, of course, the temperature of Sydney, or of anywhere else on earth, does depend on its latitude.

Blz 352

Er i

s immers ook enig verband tussen de temperatuur in Amsterdam en de liggingshoogte van Amsterdam

Cursief als in origineel in beide gevallen

Zowel Stove als Van Woudenberg geven de verwijzing naar Hamilton als:

W.D. Hamilton, 1964, The Genetical Evolution of Social Behaviour’, Journal of Theoretical Biology 7, 1-52.

In feite zijn het twee artikelen:

W.D. Hamilton, 1964, The Genetical Evolution of Social Behaviour. I. Journal of Theoretical Biology 7, 1-16.

W.D. Hamilton, 1964, The Genetical Evolution of Social Behaviour. II, Journal of Theoretical Biology 7, 17-52.

Van Woudenberg heeft de verwijzing uit Stove gehaald: onafhankelijk opzoeken had de verkeerde verwijzing doen opmerken.

In Narrow Roads of Gene Land: The collected papers of W.D. Hamilton”, Volume 1, 1996, staan beide artikelen afgedrukt. Het citaat van “blz 16” is door Stove nogal uit zijn verband gerukt. Er staat ( Narrow Roads of Gene Land blz 45):

This means that for a hereditary tendency to perform an action of this kind to evolve the benefit to a sib must average at least twice the loss to the individual, the benefit to a half-sib must be at least four times the loss, to a cousin eight times, and so on. To express the matter more vividly, in the world of our model organisms, whose behaviour is determined strictly by genotype, we expect to find that that no one is prepared to sacrifice his life for any single person but that everyone will sacrifice it when he can thereby save more than two brothers, or four half-brothers, or eight first cousins …

Stove schrijft 34 bladzijden, en Van Woudenberg vier bladzijden. In die vier bladzijden geeft Van Woudenberg de argumenten van Stove: exact het verhaal van Stove. Bladzijde 349-352 van Platland geeft een uittreksel uit Essay VIII in Darwinian Fairytales. Darwinian Fairytales van David Stove is het boek dat Van Woudenberg gelezen heeft over kinselectie – het enige boek dat Van Woudenberg gelezen heeft. Van Woudenberg heeft niet de moeite gedaan er een biologieboek op na te slaan om iets dan ook te controleren.


3. Commentaar op het huiswerk van Van Woudenberg voor zijn blogbijdrage

Stove noemt meer literatuur: op blz 138 in Essay VIII in Darwinian Fairytales noemt Stove R. Trivers (1985) Social Evolution ‘(especially chs. 6-8)’, en M. Ruse (1986) Taking Darwin seriously.

Het zijn precies deze boeken die Van Woudenberg aanhaalt in zijn blogbijdrage, om te laten zien dat hij toch iets huiswerk gedaan heeft. Robert Trivers is een bioloog die op dit gebied werkt, dus zijn boek zou Van Woudenberg moeten lezen. Dat heeft hij niet gedaan. De voorbeelden van Van Woudenberg zijn niet ‘willekeurig’ in de zin van een toevallige steekproef uit een groot aantal gevallen: de voorbeelden van Van Woudenberg zijn ‘willekeurig’ in de zin van ‘het eerste tegengekomen’. In dit geval noemde Stove hoofdstuk 6-8 van het boek van Trivers. Van Woudenberg citeert zin 3 van het hoofdstuk 8. Zoals al gezegd, doorlezen helpt. Zin 6 zegt “Although kinship is critical to each of these (cases) we shall see that it can have very different effects in different groups”.

Het hoofdstuk geeft voorbeelden: ‘reproductive altruism’ blijkt voor te komen in soorten die in familiegroepen leven. In familiegroepen vind je nu eenmaal verwanten. Het gaat over bv werksters bij mieren, wespen en bijen. Werksters zijn vrouwtjes en meer verwant met elkaar dan met hun broers – en dit wordt gebruikt om te verklaren waarom er meer werksters in de kolonie zijn dan mannetjes. Maar deze verwantschap verklaart niet waarom sommige insecten sociaal zijn: er zijn vele niet-sociale bijen en wespen. Van Woudenberg misbruikt het citaat om een heel ander idee te propageren. Zonder het hoofdstuk te lezen?

De algemene uitleg over selectie op sociaal gedrag staat in hoofdstuk 3 van dit boek van Trivers.


4. Van Woudenberg en de literatuur over de evolutionaire oorsprong van de moraal

In mijn blogbijdrage vraag ik of Van Woudenberg het hoofdstuk van M.R. Ruse & E.O. Wilson, 1991,. “The Evolution of Ethics”, in: J.E. Huchingson (ed) Religion and the Natural Sciences., een typerend geval van alle literatuur die er over evolutie van moraal verschenen is vindt, en ik suggereer een lijstje literatuur. Dat lijstje literatuur begint met:

Frans de Waal, 2005. Van Nature Goed: over de oorsprong van goed en kwaad in mensen en andere dieren. Olympus non-fictie | 5e Druk. ISBN10: 9046701131 | ISBN13: 9789046701133.

Dit is een recente best-seller voor Nederlandse begrippen. Als Van Woudenberg het dan over de evolutionaire oorsprong van de moraal wil hebben, waarom behandelt hij dit boek van Frans de Waal dan niet?

Van Woudenberg schrijft in zijn blogbijdrage:

Tenslotte: in het laatste gedeelte van mijn betoog, over evolutionaire verklaringen van morele overtuigingen, verwijs ik naar een artikel van Ruse en E.O. Wilson—en op hun opvattingen lever ik de nodige kritiek. De Jong vraagt ze zich af hoe representatief hun opvattingen zijn, een goede vraag, want uiteraard is het niet zo dat zij als enigen hierover hebben geschreven. Het is echter wel duidelijk dat Ruse en Wilson allesbehalve marginale figuren zijn in deze discussie. Maar men kan vanzelfsprekend niet zeggen dat hun opvattingen door alle evolutionaire psychologen worden onderschreven. En dat zeg ik dan ook niet. Mijn kritiek reikt niet verder dan hun opvattingen lang zijn.

De laatste zin is verbazingwekkend: Mijn kritiek reikt niet verder dan hun opvattingen lang zijn.

Deze zin van Van Woudenberg staat in schril contrast met wat Van Woudenberg op blz 360 van Platland schrijft in het onderdeel ‘Besluit’: "Evolutionaire verklaringen van gedrag dat we ‘moreel’ noemen, alsmede evolutionaire verklaringen van het hebben van opvattingen die we ‘moreel’ noemen, zijn geenszins overtuigend”. Hier blijkt niets van een kritiek die niet verder reikt dan de 1991 opvattingen van Ruse en E.O. Wilson lang zijn – er wordt wel degelijk een algemene conclusie getrokken. En een algemene conclusie vereist een algemene behandeling van de werkelijk relevante literatuur.

Het hoofdstuk van Ruse en Wilson wordt als enig geval opgevoerd – maar misschien niet omdat het werkelijk een typerend geval van de evolutionaire benadering van moraal zou zijn. Ruse en Wilson redeneren kennelijk slecht en geven, aan Van Woudenbergs weergave te zien, een gemakkelijk te weerleggen benadering. Wordt dit hoofdstuk van Ruse en Wilson

soms behandeld juist omdat het duidelijk te weerleggen is? Daarom zou het belangrijk zijn voor Van Woudenberg om na te gaan hoe algemeen de redenering van Ruse en Wilson is, als hij werkelijk geinteresseerd zou zijn in een gefundeerd betoog over evolutionaire verklaringen van de moraal.

Mijn punt hier is niet dat Ruse en Wilson gelijk hebben: Van Woudenbergs kritiek op Wilson en Ruse is terecht. Het is flauwekul morele overtuigingen te zien als een illusie aangesmeerd door de genen. Mijn vraag is alleen of Van Woudenberg niet een erg gemakkelijk doelwit gekozen heeft alsof het de algemene versie van ‘Evolutionaire verklaringen van morele overtuigingen’ biedt. Tenslotte is dit het enige genoemde artikel in onderdeel 5 van hoofdstuk 17 van Platland, met die titel.


5. Over de evolutionaire oorsprong van de moraal

Een betoog over evolutionaire oorsprong van de moraal bij de mens kan niet voortkomen uit a priori redeneringen. Een dergelijk betoog moet gebaseerd zijn op vergelijkende studies van diergedrag. Daarom zijn boeken als dat van Frans de Waal zo belangrijk.

Het is duidelijk dat veel menselijk gedrag een basis heeft in geëvolueerd groepsgedrag. Groepsgedrag van andere dieren kan ons dus laten zien hoe gedrag en fitness, gedrag en selectie, al of niet met elkaar in verband staan.

Gedragsstudies bij intelligente beesten in groepen levende beesten gaan dan over (o.a):

  • de voorwaarden voor eerlijk delen
  • inzicht in het gedrag van de ander
  • reciprook gedrag
  • dominantiegedrag
  • conflictvermijding

Dit soort sociale gedragingen. Het soort sociale gedragingen dat ook te maken heeft met moreel gedrag als we het over mensen hebben. Zulke sociale gedragingen hebben een vaste basis in het mensenbrein, een even geëvolueerde en vaste basis als het lopen op twee benen. Uit de sociale gedragingen kunnen we algemene morele principes abstraheren – niet andersom, niet uit het principe het gedrag afleiden. Voor mensen zijn er dan een serie vrij eenvoudige regels, met o.a.:

  • onderlinge bescherming van de leden van de groep
  • voor wat hoort wat
  • wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat dan ook een ander niet
  • onderlinge groepsvoedering ter versterking groepsrelaties.

In deze zin denk ik dat er een ‘objectieve’ moraal is, in de zin van een algemeen menselijke geëvolueerde moraal – niet in de zin van een ‘van buitenaf’ opgelegde set normen.


6. Van Woudenberg over moraal

In de tweede helft van onderdeel 2 van hoofdstuk 17 van Platland “Wat is ‘een evolutionaire verklaring’ en wat is ‘moraal’?” geeft Van Woudenberg zijn opvattingen over wat onder ‘moraal’ dient te worden verstaan. Van Woudenberg bespreekt morele handelingen en morele principes. Daarbij stelt hij morele principes ten grondslag aan morele handelingen. Morele principes hebben dan vóórschrijvende kracht, en berusten niet op afspraak. Een morele handeling heeft een reden: “deze reden ‘favoriseert’ de handeling, ze maakt dat de handeling goed, wijs of verstandig is. Dergelijke redenen kunnen we normatieve redenen noemen”. “We zijn van oordeel dat we ons in ons handelen moeten laten leiden door normatieve redenen”. (blz 345-347, cursief als in origineel).

Eerder (blz 341) heeft Van Woudenberg gezegd hij onder ‘objectieve morele normen’ verstaat dat morele principes niet gebaseerd zijn op afspraak of conventie. In het onderdeel dat gaat over ‘moraal’ zou Van Woudenberg dan moeten argumenteren dat dergelijke ‘objectieve morele normen’ bestaan. Van Woudenberg laat dat na. Wanneer Van Woudenberg specifiek over moraal spreekt, noemt hij weliswaar dat er geen bewuste afspraken zijn over moreel gedrag, maar hij laat sociale conventie geheel buiten beschouwing. Hij laat na te argumenteren of morele principes ‘objectief’ zijn als ze ‘alleen maar’ algemeen menselijk zijn volgens algemeen menselijke sociale conventie . Een algemeen menselijke conventie, dus een gelijke moraal of een gelijk moreel besef over alle mensen, vormt ook een objectieve moraal volgens Van Woudenbergs omschrijving – het is namelijk geen bewuste afspraak en geen conventie van het soort ‘rechts rijden’. Een algemeen menselijke conventie is eerder: ‘eerlijk delen’.

Van Woudenberg verwijst op blz 345-347 in zijn bespreking van moraal, moreel gedrage en morele principes niet naar het christendom, hoewel hij in de ‘Inleiding’ op blz 341 zegt dat christenen van oordeel zijn dat er objectieve morele normen zijn. Daarmee geeft Van Woudenberg een richting aan zijn begrip ‘objectieve morele normen’ die hij niet op blz 345-347 uitwerkt. Op blz 345-347 wordt vermeden aan te geven dat er sprake is van ‘objectieve morele normen’ die van buiten opgelegd zijn. Weliswaar zegt Van Woudenberg dat morele principes “onvoorwaardelijke voorschriften’ zijn, maar hij laat na aan te geven waarop dat ‘onvoorwaardelijke’ dan gestoeld zou zijn. Daarmee laat Van Woudenberg na duidelijk te zijn wat hij onder moraal en morele principes verstaat. In feite verstopt Van Woudenberg een belangrijke voorwaarde waaraan moraal bij hem moet voldoen, door niet aan te geven waarom een moreel principe een onvoorwaardelijk voorschrift is en hoe hij aan dat onvoorwaardelijke voorschrift komt. Als gevolg daarvan kan Van Woudenberg elk betoog over moreel gedrag afwijzen, omdat in een discussie niet een ongenoemd onvoorwaardelijk voorschrift in een betoog meegenomen kan worden.

Van Woudenberg wekt de indruk dat hij ‘morele principes’ en ‘normatieve redenen’ als zaken buiten het menselijk gedrag om beschouwd: dat niet het gedrag de principes definieert, maar de principes het gedrag voorschrijven; dat niet het gedrag de normen definieert, maar de normen bestaan ook zonder het gedrag. Daarbij zou hij niet uitgaan van de waarneming, maar van een of andere a priori redenering. Dat zou een filosofengewoonte kunnen zijn, maar natuurwetenschappers zijn gewend van de waarneming uit te gaan. Het ligt natuurlijk voor de hand dat de morele principes die volgens Van Woudenberg onvoorwaardelijke voorschriften zijn, uit de christelijke traditie komen. Dat had Van Woudenberg dan moeten zeggen. En, Van Woudenberg had ook moeten zeggen waarom hij morele principes uit de christelijke traditie als niet op afspraak of conventie gebaseerd acht, maar als onvoorwaardelijke voorschriften.

Als Van Woudenbergs opvatting over moraal moeilijkheden met evolutiebiologie krijgt, is dat alleen maar voor zo ver morele principes als losstaand van gerealiseerd menselijk gedrag gehanteerd worden, als van buitenaf gegeven. Dan kom je altijd in moeilijkheden met evolutiebiologie, omdat evolutiebiologie werkt met waargenomen gedrag als eerste en belangrijkste zaak.


7. De laakbare algemene redenering van Van Woudenberg in hoofdstuk 17 van Platland

In zijn blogbijdrage zegt Van Woudenberg:

De Jong schrijft dat mijn betoog als volgt in elkaar zit: “eerst vertellen waarom evolutie of evolutionair denken niet klopt en dan concluderen dat het christendom gelijk heeft. Alsof er alleen deze twee mogelijkheden zijn, en alsof argumenten tegen optie 1 (evolutie, evolutionair denken) optie 2 (christendom) steunen”. Als ik zo zou hebben geredeneerd, zou dat zeker laakbaar zijn geweest.

Dit als antwoord op mijn opmerking:

De methode van redeneren is standaard in de anti-evolutie literatuur: weidt veel bladzijden aan het vertellen waarom evolutie of evolutionaire denken niet klopt, en concludeer dan dat het christendom gelijk heeft. Alsof er alleen deze twee mogelijkheden zijn, en
alsof argumenten tegen optie 1 optie 2 steunen.

In hoofdstuk 17 noemt Van Woudenberg in het onderdeel 1 ‘Inleiding’ en in het onderdeel 6 ‘Besluit’ het christendom. In zijn behandeling van moraal noemt hij het christendom niet. Hoewel in onderdeel 6, ‘Besluit’, gesteld wordt dat het christendom leert dat er een objectieve moraal is, heeft Van Woudenberg dat niet betoogd. Van Woudenberg heeft niets over christelijke moraal gezegd. Ook heeft Van Woudenberg niet betoogd dat evolutiebiologie niet tot een objectieve moraal kan leiden. Van Woudenberg heeft alleen wat keuzes gedaan om de evolutionaire benadering van moraal zwart te kunnen maken. Daarmee voldoet Van Woudenberg aan de standaard opzet van anti-evolutie tractaten. Het is mooi dat hij inziet dat zoiets een laakbare manier van doen is.

O ja, Van Woudenberg schrijft:

Nog een tweede punt moet worden rechtgezet. De Jong schrijft dat “gezien eerdere hoofdstukken van Van Woudenberg, in Schitterend Ongeluk en in Worm, het niet als een verrassing komt dat Van Woudenberg niet veel ziet in evolutionaire benaderingen”. Wie de betreffende hoofdstukken echter echt leest, ziet dat er niets van dien aard in staat. In Schitterend Ongeluk heb ik geschreven over de vraag wat ‘ontwerp in de natuur’ zou kunnen zijn en op welke problemen men stuit als men zou willen onderzoeken óf er ontwerp in de natuur is. Ook heb ik in dat boek geschreven over ‘God of the gaps’- argumentaties en betoogd dat een argument voor de conclusie “X is onherleidbaar complex” niet noodzakelijk zulk een argument is. Deze hoofdstukken bevatten geen kritiek op evolutie of de theorie daarover. En in En God beschikte een worm heb ik juist betoogd dat geloof in goddelijke schepping compatibel is met evolutie van de biologische soorten (en ook met de theorie van evolutie).

Deze hoofdstukken bevatten geen kritiek op evolutie of de theorie daarover? Dan kan Van Woudenberg beter zijn eigen hoofdstukken echt herlezen, nadat hij eerst eens een evolutiebiologieboek gelezen heeft. Hoofdstuk 8 in Worm bijvoorbeeld bevat, naast een 100 jaar oud betoog over compatibiliteit tussen schepping en evolutie, alle kronkels die evolutiebiologen gewend zijn van iemand die krampachting probeert zich onder acceptatie van evolutie uit te draaien. Allemaal mooi geformuleerd, maar noot 22 laat de werkelijke positie zien: het anti-evolutie boek van Denton wordt als onmisbaar aangeduid.

(Voor bespreking van dit boek van Denton, zie:

http://home.planet.nl/~gkorthof/kortho18.htm. Denton heeft trouwens veel teruggenomen in zijn volgende boek, zie: http://home.planet.nl/~gkorthof/kortho29.htm – dat Van Woudenberg niet aanhaalt.)

6 thoughts on “Gerdien de Jong reageert andermaal op Van Woudenberg…”

  1. Gondig stuk Gerdien!
    De volledige titel van David Stove’s boek is: ‘Darwinian Fairytales: Selfish Genes, Errors of Heredity and Other Fables of Evolution’. Uit de woorden ‘fairytales’ en ‘fables’ blijkt al met wat voor iemand we te doen hebben!
    Een reviewer van het boek (Publishers Weekly) zegt: “He goes so far as to condemn Darwinism as a “ridiculous slander on human beings,””. Een andere reviewer (David Fontana) zegt: “Stove¹s book is unashamedly what he calls ‘anti-Darwinian’,”.
    Als dat het belangrijkste boek is dat Woudenberg geraadpleegd heeft, dan heeft hij bepaald geen evenwichtig boekenlijstje samengesteld! Zo’n werkwijze past niet bij een academisch onderzoeker.
    Bedankt Gerdien voor deze analyse.

  2. Deze analyse is een schoolvoorbeeld voor iedereen die critici van evolutie wil analyseren.
    De tabel met vergelijkingen doet me denken aan Gerdien’s analyse van de EO censuur gepubliceerd op 27 juli op mijn blog.

  3. Gerdien concludeerde:
    “Darwinian Fairytales van David Stove is het boek dat Van Woudenberg gelezen heeft over kinselectie – het enige boek dat Van Woudenberg gelezen heeft.”
    Om deze uitspraak nog even aan te scherpen: het is niet alleen het enige boek dat van Woudenberg gelezen heeft over het onderwerp altruisme, (1) het boek is van een niet-bioloog nl een filosoof, (2) het is anti-Darwinistisch, het is een kritiek op (onderdelen van) het Darwinisme.
    Dus: van Woudenberg, een christelijk, anti-Darwinistisch filosoof, bekritiseerd (onderdelen van) de evolutietheorie op basis van één boek van een anti-Darwinistische filosoof.

  4. Op blz 196 van hoofdstuk 8 in Worm in noot 20 geeft Van Woudenberg een citaat uit het boek van Lynn Margulis en Dorian Sagan, (2002), Acquiring Genomes: A Theory of the Origins of Species.
    Er is iets vreemds met dit citaat: het citaat komt letterlijk voor in een bijdrage van Casey Luskin op Evolution News and Views, een anti-evolutie website van het Discovery Institute, het welbekende centrum ter verspreiding van Intelligent Design Creationism. Precies deze blz 29 wordt door Luskin daar aangehaald, met precies dit punt. Ook de drie punten over evolutie die Luskin noemt vertonen overeenkomst met punten a, b, c van Van Woudenberg in zijn algemene betoog. Dit laat zien waar Van Woudenberg zijn inspiratie opdoet.
    http://www.evolutionnews.org/2006/03/its_all_in_the_definition.html
    Zo zien we ook hier dat Van Woudenberg belezenheid voorwent die hij niet heeft. Van Woudenberg doet alsof hij iets weet over ‘micro-evolutie’ en ‘macro-evolutie’ en alles wat hij werkelijk doet is napraten door middel van een losstaand uit zijn context gehaald citaat.

  5. Gert, de tabel laat zien hoe schatplichtig Van Woudenberg aan Stove is. Bijna plagiaat, alleen veel korter.
    Ik vond het ook mooi om te zien dat Van Woudenberg geen woordenboek gebruikt had: ‘liggingshoogte’ voor ‘latitude’ en ‘rhododendron’ in plaats van ‘dandelion’ …

  6. whouw, nog een keer lezen, lastig.
    Wil even ingaan op het onderwerp moraal. Moraal is vaak verward met ethiek. Ethiek is iets persoonlijks en een eigen ‘persoonlijke’ evaluatie voor de verhouding goed en slecht. Iets wat je zelf doet. En het simpele vergelijk geld hier wat je zelf niet wilt ervaren, laat het dan ook een ander niet ervaren. Als zijnde goed of slecht. Moraal is een onderlinge al of niet afgesproken gedragscode en is de sociale houding tov een ander. Een morele code is dus slechts nodig als mensen niet etisch bezig zijn en dus bedoelt om de ethiek op zijn plaats te houden. Hoe minder begrip aanwezig hoe meer er beroep wordt gedaan op morele codes, recht, rechtvervolging en onderdrukking. Gelijk hebben is belangrijker dan begrip in deze. Ieders waarheid is zijn waarheid. Als dan niet gemotiveerd door beperkt, begrip of kennis/feiten.

Comments are closed.