Fabriek (De Avonden, dag 9)

‘Ze hadden een bankje voor me neergezet,’ zei zijn vader, met de handen omvang en hoogte aangevend. ‘Ja.’ Hij keek voor zich uit, perste de lippen opeen, zette de vingertoppen op elkaar en zei: ‘Als ik op dat bankje stond, kon ik overal bij.’ Zijn ogen gingen iets wijder open en stonden strak op de … Lees verder

Adelaar (De Avonden, dag 8)

De man hield een schakelknop op een bakelieten doosje in de hand. Er zaten twee snoeren aan, van welke het ene naar de luidspreker en het andere naar het stopcontact van de radiocentrale leidde. ‘Zo regelt hij hard en zacht,’ dacht Frits, ‘zonder op te hoeven staan.’ (De Avonden, 138.) Frits van Egters wordt op … Lees verder

Borreltje (De Avonden, dag 7)

‘Weet je, wat het is?’ zei Frits, die niet op dezelfde plaats kopn blijven staan, ‘als ik een borrel op heb, klapwiek ik wel, maar ik kom niet van de grond. Van de grond kom ik niet.’ (De Avonden, 129.) Het zevende hoofdstuk is het meest luchtige van het boek. Het is grappig, de onderhuidse … Lees verder

Krant (De Avonden, dag 6)

Frits ging de trap af, vond de krant in de bus en bracht hem boven. ‘Hij werd in de bus gestopt, toen ik er voor stond,’ zei hij. (De Avonden, 97.) In dit hoofdstuk wordt de lezer opnieuw geconfronteerd met de onbetrouwbaarheid van Frits van Egters. Niets van wat hij zegt, kan zomaar worden geloofd. … Lees verder

Maurits (De Avonden, dag 5)

‘Je hebt me in ieder geval weer een gore zet geleverd, Egters,’ zei de man. ‘God beware! Wat dan?’ vroeg Frits. ‘Ja, verdomme, die Lande en dat wijf van hem aan de deur.’ (De Avonden, 80.) Ieder jaar als ik De Avonden lees, kijk ik met angst en beven uit naar de introductie van Maurits … Lees verder