11 september 2006…

Ik merk dat ik de afgelopen dagen minder goed slaap. Ik word ‘s nachts zwetend wakker, heb rare dromen waarbij ik het gevoel heb dat ik half wakker ben. ‘s Ochtends heb ik het gevoel dat ik de hele nacht wakker heb gelegen.

Morgen is het 11 september. Het is morgen precies 5 jaar geleden dat de Twin Towers in New York en het Pentagon werden aangevallen en bijna drieduizend mensen de dood vonden. Ik denk niet dat er één dag geweest is in de afgelopen 5 jaar dat ik niet een keer aan die gruwelijke dag terugdenk. Geen enkele dag. Er is altijd een moment geweest, al is het nog zo kort.

11 september 2001 – ‘s Middags. Jolanda en ik komen net terug van de Trekpleister in Hoogkerk, waar we zojuist de laatste boodschappen hebben gedaan. Ik geloof nog een nieuwe tandenborstel, wat after shave, en nog zo wat. Het is een mooie dag, een beetje warm. Nazomer. Auto’s rijden rond met ramen naar beneden. We fietsen terug naar huis. Het is een spannende dag. Morgen zal ik het vliegtuig nemen naar New York, Newark Airport. Drie maanden zal ik in Princeton, onder leiding van Wentzel van Huyssteen, werken aan mijn proefschrift. Omdat ik om 06.00 uur al zal vliegen, en we om 04.00 uur op Schiphol moeten zijn, moeten we al om 02.00 uur uit Groningen vertrekken. Mijn vader zal me naar de luchthaven brengen.

Als we thuiskomen, rinkelt de telefoon. Ik ren naar de telefoon, mijn jas nog aan. Ik zie dat het nummer van mijn zusje is. Lachend neem ik op. Ze wil vast nog even wat zeggen, net voordat ik afreis voor drie maanden in Amerika. Maar nee. Ik moet de tv aanzetten, zegt ze. Er is iets aan de hand in New York. Snel vraag ik Jolanda om de tv aan te zetten. Op het moment dat het beeld aangaat, zie ik hoe een vliegtuig – het tweede, zoals later blijkt – zich in de tweede toren boort.

Ik weet niet meer hoe ik het gesprek heb beeindigd. Ik weet nog dat ik op de bank ineen zeeg, zwijgend, zwetend, vloekend. In paniek. Ik heb mijn jas nog aan. Zo blijf ik zitten, luisterend naar de verslagen op tv, de gruwelijke beelden van het tweede vliegtuig, telkens weer, van verschillende hoeken. En dan, na een korte tijd, het ineenstorten van de gebouwen. Ik heb nog geen idee hoe groot de impact werkelijk is, omdat ik eigenlijk geen idee heb hoe groot alles in Amerika eigenlijk is. Maar de beelden spreken voor zich: witte stof overal, papieren, faxrollen die over straat dwarrelen, mensen onder het stof, wit als spoken. Huilend. Brandweermensen, verdwaasd rondlopend. Paniek en radeloosheid.

Ik heb in de vijf jaar die sindsdien verstreken zijn nooit een huivering kunnen onderdrukken als de beelden weer eens vertoond werden. Af en toe komen ze voorbij. Opnieuw wordt mijn keel afgeknepen. Opnieuw begin ik te zweten. Ik kan het niet onderdrukken. Ik raak het maar niet kwijt.

Princeton ligt iets van drie kwartier van New York Penn Station vandaan. Dichtbij dus. Wentzel van Huyssteen kon ik niet bereiken. De telefoon ging gewoon niet over. Het secretariaat opgezocht, gebeld, dat lukte wel. Die mensen daar volledig in shock. Zij hadden geen idee wat ik moest doen. Reisbureau gebeld – paniek overal. Luchtvaartmaatschappij (Singapore Airlines) gebeld – alleen een antwoordapparaat. De tv meldt dat er niets meer vliegt. In Amerika zijn alle vliegvelden gesloten. Tot nader order. Geen idee hoe lang het gaat duren. Van den Brom, mijn promotor, gebeld. Hij heeft uiteraard ook geen idee. Afwachten maar. “Wil je er nog wel naartoe?” vraagt hij. “Ik heb me maanden voorbereid”, antwoord ik, “dus ik wil graag proberen er toch te komen.” Dan is het dus afwachten.

Het was rond een uur of half vier dat ik van de Trekpleister thuiskwam. Het was pas tegen een uur of zes dat ik erachter kwam, dat ik mijn jas nog aanhad.

Een week later vloog ik, in een vrijwel leeg vliegtuig, toch naar Newark Airport. Vanaf de overkant van de rivier die New Jersey scheidt van New York kon ik in de middagzon het silhouet van Manhattan zien en de rook die opsteeg van de puinhopen die ooit de Twin Towers waren geweest. Een paar dagen later, toen ik voor het eerst in mijn leven een bezoek bracht aan New York City, rook ik ook de geur. Toen Jolanda in oktober in New York aankwam, zijn we naar Ground Zero geweest. De geur zat, toen we ‘s avonds terugkwamen in Princeton, in onze kleren. Meer dan een maand na 11 september.

Het was een hectische tijd waarbij de rust van Princeton af en toe bizar aandeed. Alsof Princeton geen onderdeel was van de rest van de wereld. Anthrax wakkerde de angst onder Amerikanen aan. In Princeton kregen we soms geen post, als er ergens in een naburig postkantoor wit poeder was gevonden. Ook het postkantoor van Princeton moest eraan geloven. Toen stortte er nog een vliegtuig neer op Queens en de paniek was compleet. De piloot van dat toestel woonde ergens tegenover Princeton Theological Seminary, waar ik studeerde en woonde.

Vanavond zag ik Michael Moore’s film “Fahrenheid 9/11” en de documentaire van Zembla waarin veel raadsels worden opgelost, maar tegelijkertijd raadsels worden opgeroepen. Er is daar een vuil spel gespeeld. De Amerikaanse regering heeft weet gehad van de aanslag, daarvan ben ik overtuigd. Ook is de afgelopen week duidelijk geworden, dat een link tussen Al Qaida en Irak nooit is vastgesteld – terwijl Bush en kornuiten dat alle regeringen ter wereld hebben voorgehouden.

Ik ben niet echt een complotdenker – ik wil het niet zijn. Ik wil niet in een wereld leven waarin achterdocht je leven regeert. Toch leven we in zo’n wereld. Sinds 11 september 2001. En ook is duidelijk geworden dat de aanslagen in New York en Washington een vuil spel zijn geweest. Het is niet meer te ontkennen. Ook kamerleden in Nederland die dit ontkennen hebben oogkleppen opgehad. Naïef vertrouwd in de goedheid van de Amerikaanse overheid. Of ze hebben zich simpelweg in de luren laten leggen door het beloofde grote geld. Ook de premier van Nederland heeft zich door Bush laten paaien, strelen, en omkopen. Is meegegaan met de leugens die verteld werden. Is meegegaan met de vele leugens die nog kwamen, over Afghanistan en Bin Laden, over Irak en kernwapens, over geheime gevangenissen die niet bestonden, maar nu wel degelijk blijken te bestaan, ergens.

Veel vragen moeten nog beantwoord worden, maar zullen dat nooit worden. Daardoor zullen er complotdenkers blijven. Daarom zal de achterdocht jegens de overheid blijven. Leven we in een dictatuur? Is Amerika sinds het aannemen van de Patriot Act een dictatuur geworden, zoals Michael Moore in zijn film schetst? En hoe zit het met Nederland, waar de overheid sterker dan ooit tevoren de controle op het dagelijks doen en denken van mensen heeft opgevoerd? Wie van de Nederlanders maakt er zich nog druk om? Is het niet bij het leven van alledag gaan behoren? Zijn we er niet aan gewend geraakt?

Terwijl ik dit schrijf, in de laatste minuten van de 10de september, zweet ik weer. Ik kijk naar de eerste minuten van de film Loose Change. Ik hoop niet dat ik ooit aan de beelden van 11 september 2001 zal wennen. Het zou een verlies van menselijkheid betekenen.

Eén ding is zeker: mijn kinderen zullen opgroeien in een wereld waarin vrijheid een andere betekenis heeft gekregen.

Als het woord überhaupt nog iets te betekenen heeft.