N.a.v. een citaat van Willem Jan Otten over Blaise Pascal

Gisteren heb ik vanwege een recensie het boekje Pascal als religieus denker onder redactie van Rudi te Velde gelezen (Klement 2011, ISBN 9789086870868). Een leuk, aanbevelenswaardig boekje over de religieuze ideeën van Blaise Pascal, een aantal zeer lezenswaardige essays. Maar vooral het eerste essay uit de bundel, van de essayist en schrijver Willem Jan Otten vond ik schitterend. In dit persoonlijke essay beschrijft Otten zijn eigen  ervaringen met de Pensées van Pascal. In één passage beschrijft hij beeldend maar zeer concreet en helder waar het volgens Pascal om draait in het christelijk geloof. Een prachtig stukje proza. En ik denk inderdaad, met Pascal en Otten, dat de logica van religieus geloven inderdaad zo werkt.

Ik zal de betreffende passage uitgebreid citeren:

Het is de hoogste tijd om mijn hond voor te stellen, een kleine teefjesterriër die ik graag Pensée had genoemd, maar die al, toen we haar kregen, door mijn moeder Steentjes genoemd was.

Pensée wil elke ochtend, als zij opgewonden de tuin in rent voor haar eerst om, maar één ding: zij wil de stok, dat wil zeggen, zij wil de stok geworpen zien worden, hem achterna rennen, tussen de kaken nemen, en naar mij brengen – opdat ik hem weer gooi. Opdat de tak des te echter een prooi lijkt op een levend vliegend iets, en dan ‘stok’ wordt. Maar als Pensée de tuin in rent is op een of andere manier haar wil nog ongearticuleerd, of beter: verzwakt, vervaagd. T.S. Eliot zou zeggen: corrupt.

Pensée rent dus óver de tak heen die de vorige wandeling nog als stok dienst deed. Als zij nu niet op een of andere manier geholpen wordt met willen, zal zij de hele wandeling door over alle takken die zij tegen komt heen lopen, en zónder het levensvervullende spel gespeeld te hebben, weer terugkeren. Roep ik evenwel ‘stok!’, dan ziet zij de tak wél liggen, en neemt zij hem in haar bek en legt zij hem voor me neer, wetend dat ik hem weg zal werpen. Zij is gaan willen dat de tak een stok werd omdat ik ‘stok!’ heb willen roepen.

Wat de hond niet met de tak kan – zelf willen dat het een stok is – dat kan de mens niet met God – zelf willen dat Hij er is. Alleen als God wil dat iemand Hem wil, zegt Pascal, en met hem zegt de christelijke religie het, wil die iemand God. Als je een realistisch idee wil hebben van wat de positie van de mens in de schepping is, bezweert hij ons, dan moet je het mysterie van de genade erkennen. Dat we dat kunnen – beseffen, erkennen – maakt ons, mensen, goddelijk. Dat we zonder genade niets zijn, leert dat we niets zijn. Daar komt het klassieke aforisme van Pascal op neer – ‘de mens is een riet, maar een denkend riet’. (p. 33-34)

Wat wil dat nu zeggen? Otten gaat er nog even op door:

Het is een cirkelredenering, die in allerlei gedaantes door de  Pensées spookt. ‘Er is net genoeg licht in de wereld voor hen die het licht hebben gezien’. Je moet het licht hebben gezien om licht te kunnen zien. Wie zoekt heeft al gevonden.

De ongelovige, wiens wanhoop Pascal tot uitgangspunt neemt, moet willen geloven om te kunnen geloven dat hij moet geloven. Het duizelt je, en je denkt: het draait allemaal om maar die werkwoorden, willen, moeten en kunnen en daarvan is willen het raadselachtigste, glibberigste, het werkwoord waar alleen een koppige, terriër-achtige geest als Pascal zich vast durft te bijten. (p. 34)

Ziehier, de paradox die ten grondslag ligt aan religieus geloven. Om over na te denken.

1 thought on “N.a.v. een citaat van Willem Jan Otten over Blaise Pascal

  1. Ik heb net het boek “Jerusalem, a biography” van Simon Sebag Montefiori ontvangen. In de inleiding, over de holiness van Jerusalem:

    “Many atheistic visitors are repelled by this holiness, seeing it as an infectious superstition in a city suffering a pandemic of religious bigotry. But that is to deny the profound human need for religion without which it is impossible to understand Jerusalem. Religions must explain the fragile joys and perpetual anxieties that mystify and frighten humanity: we need to sense a greater force than ourselves. We respect death and long to find meaning in it.”

Comments are closed.