Close

Gastbijdrage van René van Woudenberg

René van WoudenbergHet kon niet uitblijven. Na de felle reactie van Gerdien de Jong op dit weblog, heeft René van Woudenberg vanuit de Verenigde Staten zijn tegenreactie gestuurd. Hoewel ik altijd een beetje kriegelig word, als mensen mij zeggen dat de reactie zonder wijzigingen gepubliceerd moet worden – een weblog is een journalistiek medium, en een journalist heeft nu eenmaal een bepaalde journalistieke vrijheid – heb ik Van Woudenbergs reactie op zijn verzoek niet doorgekeken of aangepast.


Reactie op Gerdien de Jong

René van Woudenberg

Gerdien de Jong is erg kritisch over wat ik in Omhoog kijken in Platland heb geschreven over evolutionaire verklaringen van de moraal. Haar belangrijkste punt is dat ik de theorie van verwantenselectie (kin selection) verkeerd heb begrepen en dat mijn kritiek daarop dus ook geen doel treft. Daarin heeft ze ongelijk, zoals ik in sectie 2 zal betogen.

Maar eerst maak ik een aantal kanttekeningen bij enkele andere elementen van haar reactie.

1. Enkele niet-bijzaken

Ten eerste: De Jong schrijft dat mijn betoog als volgt in elkaar zit: “eerst vertellen waarom evolutie of evolutionair denken niet klopt en dan concluderen dat het christendom gelijk heeft. Alsof er alleen deze twee mogelijkheden zijn, en alsof argumenten tegen optie 1 (evolutie, evolutionair denken) optie 2 (christendom) steunen”. Als ik zo zou hebben geredeneerd, zou dat zeker laakbaar zijn geweest. De structuur van mijn betoog is echter anders, nl. als volgt: Eerst geef ik een korte beschrijving van de (of een) christelijke benadering van moraal, moreel gedrag en morele overtuigingen. Vervolgens bespreek ik een aantal evolutionaire benaderingen van moraal, moreel gedrag en morele overtuigingen—benaderingen die vaak worden gepresenteerd als impliceren ze kritiek op de christelijke benadering. En ik kom tenslotte tot de conclusie dat de door mij besproken evolutionaire benaderingen van moraal etc. geen serieuze objectie vormen of impliceren tegen wat het christendom (of een bepaalde versie daarvan) over deze onderwerpen te berde heeft gebracht. Wat ik dus doe is niets anders dan een geopperd bezwaar tegen de (of een) christelijke benadering van de moraal (etc.) onderzoeken, wegen en te licht bevinden. Maar daarmee heb ik natuurlijk niet de waarheid van de christelijke benadering van de moraal aangetoond. En dat claim ik uiteraard ook niet. Letterlijk zeg ik: “Niets staat ons in de weg om in overeenstemming met hetgeen het christendom de eeuwen door heeft geleerd, te denken dat …..” (p.360)

Nog een tweede punt moet worden rechtgezet. De Jong schrijft dat “gezien eerdere hoofdstukken van Van Woudenberg, in Schitterend Ongeluk en in Worm, het niet als een verrassing komt dat Van Woudenberg niet veel ziet in evolutionaire benaderingen”. Wie de betreffende hoofdstukken echter echt leest, ziet dat er niets van dien aard in staat. In Schitterend Ongeluk heb ik geschreven over de vraag wat ‘ontwerp in de natuur’ zou kunnen zijn en op welke problemen men stuit als men zou willen onderzoeken óf er ontwerp in de natuur is. Ook heb ik in dat boek geschreven over ‘God of the gaps’- argumentaties en betoogd dat een argument voor de conclusie “X is onherleidbaar complex” niet noodzakelijk zulk een argument is. Deze hoofdstukken bevatten geen kritiek op evolutie of de theorie daarover. En in En God beschikte een worm heb ik juist betoogd dat geloof in goddelijke schepping compatibel is met evolutie van de biologische soorten (en ook met de theorie van evolutie).

Ten derde: volgens De Jong is “het nog maar de vraag of er evolutionair geen objectieve moraal is”. Ik zelf denk ook niet dat evolutie, noch de theorie daarover, alszodanig op gespannen voet hoeven te staan met de idee dat er objectieve normen zijn (opgevat op de manier waarop ik dat in het hoofdstuk vrij precies uitleg). Maar het is onweersprekelijk dat velen van oordeel zijn dat evolutie (of de theorie daarover) een objectieve moraal uitsluit, ook de auteurs die ik bespreek. Overigens denk ik niet dat De Jongs eigen suggestie over objectieve moraal overtuigend is. Volgens haar is er sprake van een objectieve moraal wanneer er sprake is van “gelijke moraal of gelijk moreel besef”. Er kan echter sprake zijn van gelijkheid zonder dat er van objectiviteit (in de door mij bedoelde zin) sprake is.

Tenslotte: in het laatste gedeelte van mijn betoog, over evolutionaire verklaringen van morele overtuigingen, verwijs ik naar een artikel van Ruse en E.O. Wilson—en op hun opvattingen lever ik de nodige kritiek. De Jong vraagt ze zich af hoe representatief hun opvattingen zijn, een goede vraag, want uiteraard is het niet zo dat zij als enigen hierover hebben geschreven. Het is echter wel duidelijk dat Ruse en Wilson allesbehalve marginale figuren zijn in deze discussie. Maar men kan vanzelfsprekend niet zeggen dat hun opvattingen door alle evolutionaire psychologen worden onderschreven. En dat zeg ik dan ook niet. Mijn kritiek reikt niet verder dan hun opvattingen lang zijn.

2. De Jongs hoofdbezwaar

De Jongs hoofdbezwaar tegen mijn betoog is, als ik haar goed heb begrepen, dit: mijn kritiek op de theorie van verwantenselectie (kin selection, hierna TKS) zou geen doel treffen omdat ik die theorie niet correct zou hebben begrepen. Ik zal nu uitleggen waarom haar bezwaar niet juist is.

Laat ik er allereerst op wijzen dat volgens Darwin zelf altruïsme (d.w.z. altruïstisch gedrag opgevat als gedrag dat de fitness van anderen verhoogt maar de eigen fitness verkleint) een verschijnsel is dat moeilijk te begrijpen valt binnen zijn theorie en er zelfs een potentiële bedreiging voor vormt. Immers gedrag dat de fitness verkleint is gedrag dat zal worden weggeselecteerd—terwijl dat feitelijk niet gebeurt. De theorie wekt dus een empirische verwachting die niet klopt. Dat was een moeilijkheid waar Darwin zelf al mee worstelde.

Met de opkomst van de theorie dat de eenheden waarop natuurlijke selectie werkt niet groepen zijn, noch individuele organismes, maar genen, is er echter een verklaring van altruïsme voorgelegd die voluit past binnen het evolutionaire raamwerk. En dat is de theorie van verwantenselectie (of kin selection—of kin altruism). Volgens deze theorie is altruïsme niet zonder meer fitness verkleinend—als ‘fitness’ maar in brede zin als ‘inclusive fitness’ wordt begrepen. Verwanten hebben een gedeelte van hun genen gemeenschappelijk in de zin dat hun genen voor een deel zijn voortgekomen, via replicatie, uit de genen van eenzelfde voorouder, of voorouders. Wanneer nu een organisme altruïstisch gedrag ten toon spreidt jegens een verwant organisme (dus jegens een organisme dat via afstamming genen met hem deelt) dan vergroot het daarmee de fitness van (een deel van) ‘zijn eigen’ genen. Het vergroot, zoals de theorie zegt, zijn ‘inclusive fitness’. Maar wanneer een organisme altruïstisch gedrag zou vertonen jegens niet-verwante organismen, dan wordt er geen ‘inclusive fitness’ vergroot, maar wordt alleen de eigen individuele fitness (de fitness van de altruïst) verkleind. Wat deze theorie dus zegt, en doet verwachten, is dat altruïstisch gedrag alleen blijvend zal voorkomen (d.w.z. niet zal worden weggeselecteerd) wanneer het ten goede komt aan een verwant organisme, dan wel aan meerdere verwante organismen. Want alleen zo kan, door altruïstisch gedrag, de fitness opgevat als ‘inclusive fitness’ worden vergroot.

Nu is het zo dat verwantschap een maat kent: twee b
roers van dezelfde ouders zi
jn sterker aan elkaar verwant dan elk van die broers aan een volle neef van hen. Moeder en dochter zijn sterker aan elkaar verwant dan die moeder aan haar nicht (een tante-zegger van haar). In de Regel van Hamilton wordt de mate van verwantschap aangegeven met de variabele r—deze moet worden gesubstitueerd door een getal dat tussen de 0 en de 1 ligt; en hoe dichter r de 0 nadert, hoe minder verwantschap er is. De volledige regel van Hamilton luidt (De Jong memoreerde hem al):

Regel van Hamilton: rB – C > 0,

waarbij B staat voor de ‘baten’, de fitness voordelen voor de begunstigde(n) en C voor de fitness nadelen voor de altruïst. (Voor- en nadelen worden uitgedrukt in termen van hoeveelheid nakomelingen.) Wat is nu de relatie tussen altruïsme en de Regel van Hamilton? (De Jong is daar in haar stuk niet helemaal duidelijk over). TKS legt de relatie als volgt: altruïstisch gedrag zal voorkomen als rB – C > 0. En ook geldt het omgekeerde verband: als er altruïstisch gedrag optreedt, is rB – C > 0.

Wanneer je de regel van Hamilton bekijkt, wordt duidelijk welke rol r, de mate van verwantschap, speelt. Wanneer B gelijk blijft, geldt dat naarmate r kleiner wordt, ook rB kleiner wordt (immers, r is een getal tussen de 0 en 1). Maar naarmate rB kleiner wordt, wordt het ook lastiger voor rB – C om boven de 0 uit te komen. Ook wordt duidelijk, bij gelijkblijvende B, dat naarmate r groter wordt, ook rB groter wordt; en tevens dat naarmate rB groter wordt, het gemakkelijker wordt voor rB – C om boven de 0 uit te komen.

In gewoon Nederlands gezegd komt dit hier op neer dat altruïsme veel minder zal voorkomen tussen minder-verwanten dan tussen meer-verwanten: hoe meer altruïsme, hoe meer verwantschap en hoe meer verwantschap, hoe meer altruïsme. In mijn artikel heb ik dit samengevat met de woorden “hoe meer verwantschap, hoe meer altruïstisch gedrag”. In deze samenvatting heb ik stilzwijgend B en C constant gehouden—wat ik achteraf beter expliciet had kunnen vermelden en motiveren. (De motivatie was: als iemand een altruïstische daad verricht dan mag je ervan uitgaan dat de kosten gelijk zijn, onafhankelijk of de begunstigde nu een broer is, dan wel een niet-verwant. En eveneens mag je ervan uitgaan dat de baten voor de begunstigde gelijk zijn.) Niettemin, deze samenvatting raakt een essentieel deel van TKS. Hamilton deed in feite hetzelfde toen hij schreef: “We verwachten te zullen vinden dat niemand bereid is zijn leven op te offeren voor één enkele persoon, maar dat iedereen zijn leven zal willen opofferen voor voor méér dan twee broers, of vier halfbroers, of acht volle neven” (geciteerd met verwijzing in Platland, p. 350). Samenvattingen van dezelfde aard vindt men steeds weer in de post-Hamilton literatuur. Ik geef twee willekeurige voorbeelden: “We expect reproductive altruism … to be associated with benefits to relatives” (Robert Trivers, Social Evolution, Menlo Park: Benjamin/Cummings, 1985, p. 169), en : “The Darwinian, therefore, expects stronger acts and sentiments of altruism towards one’s own children, rather than (say) to one’s siblings children. And likewise, as the circle of relatedness widens, there will be some help given toward lesser relatives, but not as much as towards greater relatives” (Michael Ruse, Taking Darwin Seriously. Oxford: Blackwell, 1986, p.220).

TKS wekt dus bepaalde verwachtingen (“We expect to find …”). Mijn kritiek op TKS in het hoofdstuk in Platland is dat die verwachtingen door de feiten worden geloochenstraft. TKS doet bijv. verwachten dat als r=0 er geen altruïsme zal optreden. De casus van de verwisselde babies laat zien hoe weinig plausibel dat is. En ook Moeder Theresa en miljoenen minder bekende mensen zetten zich in voor de medemens ten koste van zichzelf (ten koste van hun reproductieve fitness), hoewel we mogen aannemen dat r=0. Niets in hetgeen De Jong heeft geschreven doet me denken dat deze kritiek onjuist is of TKS niet raakt.

3. Conclusie

Uit het bovenstaande blijkt ten eerste dat De Jong echt een verkeerd beeld heeft en geeft van wat ik daadwerkelijk heb geschreven. En ten tweede dat mijn beschrijving van en kritiek op de theorie van verwantenselectie, hoewel misschien ietwat ongelukkig geformuleerd, zakelijk toch de kern raakt.

(Ik wijs er, hopelijk ten overvloede, op dat ik in mijn hoofdstuk heb gezegd dat de theorie van verwantenselectie in deze formulering onhoudbaar is. Deze kwalificering is belangrijk omdat het is goed denkbaar dat iemand een theorie voorstelt waarin een ander verband wordt gelegd tussen de Regel van Hamilton en altruïsme—een theorie die eveneens de naam ‘theorie van verwantenselectie’ waardig is, maar die bestand is tegen de door mij aangevoerde objecties. De theorie in die formulering hoeft niet onhoudbaar zijn en over die theorie heb ik in mijn hoofdstuk uiteraard, niets gezegd).


Weblinks naar Van Woudenberg:

http://www.freewebs.com/vanwoudenberg/index.htm

http://www.ph.vu.nl/~rene/

 

Zie verder ook:

– de (net gestarte) blog van de Belgische Nigel: http://nigel.filosofie.be/index.php?/archives/2-This-isnt-Kansas,-Toto.html.

12 thoughts on “Gastbijdrage van René van Woudenberg

  1. “een weblog is een journalistiek medium, en een journalist heeft nu eenmaal een bepaalde journalistieke vrijheid”
    Niet te veel graag! Zie de EO!

  2. Hahaha, nee Gerdien, wees maar niet bang. Niet teveel, maar ik hou er niet zo van een gastbijdrage te MOETEN plaatsen en dan ook nog snel gezegd te worden dat de tekst ONGEWIJZIGD geplaatst moet worden. Dan ga ik wat steigeren en met knuistjes op tafel slaan: ‘het is MIJN weblog’… 😉
    Maar idd., we moeten geen EO-perikelen krijgen. Ook journalistiek heeft zijn eigen ethische grenzen… en de EO is die overschreden op ideologische grondslagen. Dat is dus censuur en dat moeten we niet hebben.

  3. Dit is een opvallende zin(!):
    [En in En God beschikte een worm heb ik juist betoogd dat geloof in goddelijke schepping compatibel is met evolutie van de biologische soorten (en ook met de theorie van evolutie).]
    Dit staat op blz.193 van ‘Worm’. En v.W. heeft een volwaardig beeld geschetst van de evolutie (incluis gemeenschappelijke afstamming).
    Het venijn zit hem echter in de staart. v.W. heeft een getrapt systeem van ‘reliability’ ontworpen (filosofisch zeer verfijnd, aan een dergelijke opzet van een betoog kun je veel genoegen beleven). En v.W’s conclusie is dat je aan het mechanisme van toevallige mutatie en natuurlijke selectie niet de hoogste mogelijke vorm van betrouwbaarheid kunt toekennen: met andere woorden, v.W. acht dit nog (lang) niet bewezen. ‘De verhalen die verteld worden [over het ontstaan van bv. het oog] zijn suggestief en het is mogelijk dat ze waar zijn. Maar dat een evolutionaire schets mogelijk is, is heel wat anders dan dat die schets correct is.’
    Al met al ziet v.W. evolutie als een interessante onderzoekshypothese. En een onderzoekshypothese is te zwak (te weinig betrouwbaar) om te rechtvaardigen dat evolutie een NATUURLIJK proces is!
    Nogmaals: ik heb (destijds) vandit artikel genoten omdat het zo buitengewoon slim is. Maar het is, bovenal, een zeer listig artikel. Want de waarheid is, tenslotte, dat v.W. de evolutietheorie niet aanvaardt. Het is een onderzoekshypothese en geen ‘very reliable’ wetenschappelijke theorie.
    En deze afgezwakte, bijna tweedehandstheorie, ja, die is ‘best wel’ compatibel met de Goddelijke schepping. En we weten nu ook waarom: er immers geen evolutietheorie meer over.
    Eigenlijk vind ik wat v.W. hier doet niet helemaal eerlijk. In de tijd dat ik ‘Worm’ kocht en las was ik naarstig op zoek naar ‘licht’. Ik meende dat oa. bij hem te hebben gevonden, totdat ik bij de tweede lezing ontdekte dat het allemaal niet echt op een eerlijke redenering berustte. Er wordt aan het slot door de auteur min of meer besloten -de argumentatie aan het slot heb ik gegeven, en meer argumenten zijn er niet- dat de evolutietheorie niets anders dan een redelijke hypothese is. En dat is, uiteindelijk teleurstellend. Dat had v.W. ook in een halve bladzijde kunnen zeggen.
    Nu ik zijn opmerking hier zie terugkomen, wil ik, in alle oprechtheid, graag zeggen dat v.W. niet echt eerlijk redeneert. En dat de stelling ‘schepping is compatibel met evolutie’, volgens zijn eigen getrapte beoordelingssysteem, niet helemaal ‘reliable’ is.

  4. Taede, dat van Woudenberg graag wil dat je niets verandert aan zijn bijdrage, dat is toch helemaal niet zo onbillijk? En dat hij, na het lezen van Gerdiens artikel, hier graag een weerwoord wil plaatsen, is toch ook zeer begrijpelijk? Natuurlijk, als je het gevoel hebt dat zoiets je onvoorwaardelijk wordt opgedragen, dan ga je steigeren. Maar van Woudenberg betoogt zo precies, dat je er ook moeilijk iets uit kunt weghalen- ik heb wel begrip voor zijn ‘eisen’.

  5. Jan,
    Je hebt uiteraard geheel gelijk. Ik hou er inderdaad niet van om zaken opgedragen te krijgen. Ik zou ook niets aan Van Woudenbergs bijdrage hebben gewijzigd – tenzij het storende typos betrof. Bovendien had ik een weerwoord van Van Woudenberg zelfs verwacht – prima! Het is echter de toon waarop zijn tweeregelige e-mail mij bereikte, die mij als onaangenaam trof. Ik snap best dat hij zich irriteert aan Gerdiens aanzet tot een discussie. Het zou immers best eens kunnen dat zij een punt heeft. Als hij zich daaraan ergert, hoeft hij dat MIJ niet te verwijten (en de toon van zijn mailtje suggereert dat wel). Alsof IK Gerdien zou hebben opgedragen het stuk te schrijven… Een gastbijdrage op een weblog is een privilege, geen recht. Maar goed, wat mij betreft is hiermee die discussie gesloten.
    In tegenstelling tot de discussie over Gerdiens bijdrage en Van Woudenbergs respons…

  6. Ik kan er helaas geen zinnig wordt meer over zeggen. Van Woudenberg formuleert zodanig dat hij bijna onaantastbaar is. Hij lijkt een voldoende repliek op Gerdien de Jongs kritiek te hebben gegeven?
    Om Jan Riemersma nog even te plezieren, hierbij een deel van een recensie van ene Peter Breedveld ooit in een krant (sorry, ik bewaar knipsels zonder krantnaam en datum erop te schrijven, slordig…): “Maar van Woudenberg is niet helemaal eerlijk. Om zijn stellingen te bewijzen, creeert hij een soort Van Woudenberg-universum, waar alles wat hij zegt waar is.”
    Heerlijk, je eigen universum!

  7. Simon: Peter Breedveld, dat is toch een columnist van Trouw? Wel aardig, dat ook hij het idee had een beetje te worden bedrogen.
    Nou ja, de fout die v.W. eigenlijk maakt is dat hij zichzelf het recht geeft om een bepaalde houding aan te nemen ten opzichte van bepaalde stellingen. -Ten aanzien van de evolutietheorie heeft hij dat recht natuurlijk (als filosoof) pertinent niet: dat dient hij over te laten aan de vakmensen. Of de evolutietheorie moet worden aanvaard is een bio-technische zaak.
    Feitelijk zegt hij dus: mijn houding is dat ik de evolutie niet aanvaard. Gerdien heeft dus helemaal gelijk als zij zegt dat hij de evolutietheorie afwijst. Dat hij doet voorkomen alsof hij voor deze afwijzende houding goede argumenten heeft is feitelijk onjuist.
    Wat hij doet is filosofisch gezien ook niet zo netjes- filosofen werken in de schaduw van de wetenschappen. Ze bemoeien zich met randvoorwaarden en leggen verbanden. Maar theorieen afwijzen is er natuurlijk niet bij, want je hebt daar de expertise niet voor (of de theorie moet conceptueel nogal rammelen, maar je moet van goed ehuize komen om de evolutietheorie aan het rammelen te krijgen…)
    Interessante discussie! Ik ben erg benieuwd naar Gerdien’s antwoord!

  8. Nog een maal over v.W’s uitspraak dat scheppingsgeloof en evolutie compatibel zijn. – Misschien maakt het volgende voorbeeld duidelijk wat er mis gaat.
    Stel ik accepteer het christelijke geloof en de evolutie. Dan definieer ik eerst het christelijke geloof:
    a. God bestaat
    b. God heeft de wereld geschapen
    c. Gods woord staat in de bijbel
    d. God zond zijn zoon naar de aarde om ons van onze zonden te verlossen.
    Nu kan ik ten opzichte van elk van deze uitspraken een bepaalde houding aannemen. De uitspraak ‘God bestaat’ lijkt mij aanvaardbaar.
    De uitspraken b en c zouden dan wel waar kunnen zijn, maar zeker weten doe je het niet. Je kunt ze zien als een alternatieve lezing. Het zou mogelijk kunnen zijn, maar het zou ook onwaar kunnen zijn.
    Als b en c echter onzeker zijn, dan kan ik natuurlijk uitspraak d al helemaal niet aanvaarden.
    Heb ik nu laten zien dat het christelijk geloof verenigbaar is met de evolutie? Welnee, ik heb het christelijk geloof ontmanteld. Het residu, de enige uitspraak die ik wel volmondig accepteer (a: God bestaat), ja, daarvan kan ik rustig stellen dat die compatibel is met de evolutieleer.
    Alas, om nu te zeggen dat ik dus ‘christelijk geloof’ en ‘evolutie’ zie als verenigbare zaken? Een en ander lijkt een beetje op de manier waarop juristen te werk gaan.

  9. Ik snap niet dat v.W. de intelligentie van evolutiebiologen zoals Trivers en E.O.Wilson zo kan onderschatten. Alsof zij niet beseffen dat Moeder Theresa altruïstischer is dan men op grond van Hamilton’s rule zou verwachten mocht – en die ‘mocht’ is heel belangrijk – Hamiltons rule de enige evolutionaire formule zijn om menselijk altruïsme te begrijpen. Enige kennisname van Boyd & Richerson, Fehr, Sigmund e.d. zou hem al een heel eind verder brengen.
    Verder begrijp ik de verwijzing naar de verwisselde babies niet goed, maar ik vemoed dat het betrekking heeft op altruïsme t.a.v. kinderen die geen verwantschap met jou hebben, maar die je wel ziet als jouw kinderen. Dat is helemaal geen probleem voor ‘inclusive fitness’ benaderingen, maar heeft gewoon te maken met zaken die – op een evolutionaire tijdschaal – nieuw zijn. Door die nieuwigheden (ziekenhuizen, adoptiecentra, couveuses) kunnen de cues die eertijds betrouwbaar waren, onbetrouwbaar zijn geworden.

  10. Simon vraagt:

    Hij [Woudenberg] lijkt een voldoende repliek op Gerdien de Jongs kritiek te hebben gegeven?

    Als ik het goed begrijp meent Woudenberg dat de theorie van verwantenselectie (TKS genoemd naar het Engelse ‘theory of kin selection’), bepaalde verwachtingen wekt die volgens hem overduidelijk niet uitkomen. Het gaat om de volgende verwachtingen:

    iedere ouder is verwant met zijn kinderen en daarom zou iedere ouder (van welke soort dan ook) altruïstisch gedrag tegenover de kinderen moeten vertonen, veel planten en dieren geven echter geen aandacht aan het nageslacht
    er zou geen altruïstisch gedrag tegenover niet verwanten vertoont mogen worden; bij verwisselde baby’s is er echter sprake van moederlijk gedrag, zonder dat er verwantschap is
    bij gelijke mate van verwantschap zou er gelijke mate van altruïstisch gedrag moeten zijn, dus zou er evenveel altruïsme moeten zijn tussen broers en zusters als tussen ouders en kinderen hetgeen niet het geval is.

    Zoals Gerdien de Jong opmerkt: het is zo overduidelijk dat deze voorspellingen niet uitkomen dat evolutiebiologen inderdaad imbeciel zouden zijn als ze een theorie die dergelijke voorspellingen doet zouden aanhangen.
    Gelukkig is er geen enkele reden om de TKS gehouden te achten aan deze voorspellingen.
    Laat ik beginnen met de regel van Hamilton. Deze regel zegt iets over de condities waaronder een bestaand gen dat een negatief effect heeft op de relatieve fitness van de eigenaar en een positief effect op de relative fitness van soortgenoten in de omgeving in hun omgeving zal toenemen in de populatie. Zoals Gerdien citeert uit de Wikipedia:

    Formally, such genes should increase in frequency when
    rB – C > 0

    De r in deze formule verwijst naar de kans dat het gen voorkomt bij de organismen met wie de drager interacteert. In het algemeen is dit de mate van verwantschap. In het vervolg doe ik daarom net als Woudenberg, De Jong en de Wikipedia alsof r voor de mate van verwantschap staat. B en C verwijzen naar de baten en kosten van het gedrag in termen van relatieve fitness.
    Woudenberg geeft deze regel als volgt weer:

    altruïstisch gedrag zal voorkomen als rB – C > 0. En ook geldt het omgekeerde verband: als er altruïstisch gedrag optreedt, is rB – C > 0.

    en later:

    In gewoon Nederlands gezegd komt dit hier op neer dat altruïsme veel minder zal voorkomen tussen minder-verwanten dan tussen meer-verwanten: hoe meer altruïsme, hoe meer verwantschap en hoe meer verwantschap, hoe meer altruïsme. In mijn artikel heb ik dit samengevat met de woorden “hoe meer verwantschap, hoe meer altruïstisch gedrag”.

    Hij voegt hier aan toe:

    In deze samenvatting heb ik stilzwijgend B en C constant gehouden—wat ik achteraf beter expliciet had kunnen vermelden en motiveren. (De motivatie was: als iemand een altruïstische daad verricht dan mag je ervan uitgaan dat de kosten gelijk zijn, onafhankelijk of de begunstigde nu een broer is, dan wel een niet-verwant. En eveneens mag je ervan uitgaan dat de baten voor de begunstigde gelijk zijn.)

    Terwijl Hamiltons regel dus iets zegt over de uitbreiding van een bestaand gen in een populatie zegt Woudenbergs weergave van die regel iets over een te verwachten verschijnsel op een globaal niveau (nl. een patroon in het optreden van altruïsme bij alle organismen). Dat is heel wat anders!
    Het is ook niet zo dat het laatste uit het eerste volgt. Daar zijn veel redenen voor. Een paar daarvan zal ik hieronder aangeven.
    Ten eerste, de regel van Hamilton zegt dat onder bepaalde condities een gen voor altruïsme dat aanwezig is in de populatie in frequentie zal toenemen. Echter in veel gevallen zal zo’n gen er niet zijn (wat zou een boom voor z’n kinderen kunnen doen?). Uit Hamiltons regel volgt dus, anders dan Woudenberg meent, helemaal niet dat altruïsme ontstaat onder alle condities waarin dat gunstig zou zijn en dus al helemaal niet dat iedere ouder altruïstisch gedrag tegenover z’n kinderen zou tonen.
    Ten tweede: Hamiltons regel zegt niet zonder meer dat een altruïstisch gen zich zal uitbreiden als er voldoende verwantschap is tussen de begunstigde en de helper. De regel zegt alleen dat dit onder de conditie gebeurt dat de kosten in de juiste verhouding tot de baten staan. In het geval van maximale verwantschap tussen geven en helper wil dit zeggen dat de baten minstens twee keer zo groot moeten zijn dan de kosten. Bij veel mogelijk altruïstisch gedrag is dit niet het geval. Opnieuw een reden om niet te verwachten dat alle ouders altruïstisch gedrag tegenover hun kinderen vertonen.

    Als bijvoorbeeld behalve de eigen kinderen ook andere profiteren van het altruïstische gedrag zijn de baten (die immers in termen van verhoging van de relatieve fitness uitgedrukt worden) klein (C > 1/2B). Het corresponderende gen zal zich dus niet uitbreiden. Dit betekent dat altruïstisch gedrag zich alleen zal ontwikkelen in situaties waarin in dit selectief ten goede komt aan verwanten, bijvoorbeeld doordat je veel vaker verwanten tegenkomt dan anderen of doordat je instaat ben verwanten van niet-verwanten te onderscheiden en het gedrag alleen tegenover verwanten te vertonen. Er is dan ook geen enkele reden om altruïstisch gedrag te verwachten bij soorten waarvan de individuen voornamelijk met niet verwanten interacteren en hun verwanten niet kunnen erkennen.
    In de tweede formulering in zijn deze (en als ik het goed begrijp ook in zijn artikel in Platland) laat Woudenberg deze conditie weg. Het zal uit wat ik hierboven gesteld heb duidelijk zijn dat dit uitermate misleidend is. Volgens Woudenberg komt dit weglaten neer op het “stilzwijgend constant houden van B en C”. Ook deze opmerking is misleidend. Het weglaten komt neer op de veronderstelling dat voor elk mogelijk (of denkbaar) altruïstisch gedrag de baten minstens twee keer zo groot zijn als de kosten, hetgeen een veel sterkere veronderstelling is dan de veronderstelling dat B en C constant zijn. De motivatie die Woudenberg geeft ter rechtvaardiging van het zogenaamde constant houden slaat ook al nergens op, het constant houden van B en C zou immers niet alleen betekenen dat de kosten en baten van het gedrag onafhankelijk zijn van degene die ze ten goede komen (Woudenbergs motivatie), maar vooral ook dat ze voor elk gedrag bij ieder individu hetzelfde zijn (een volslagen idiote veronderstelling, maar zelfs als die waar zou zijn dan nog kunnen de de kosten minder dan twee keer de baten zijn, zodat het gedrag zich niet zal ontwikkelen).
    Ten derde. Stel dat er een altruïstische mutatie mogelijk is waarvan in bepaalde omstandigheden de baten inderdaad meer dan tweemaal de kosten zijn, dan nog mogen we niet zonder meer verwachten het corresponderende gedrag te vinden in de ouder-kind relatie. Immers het kan zo zijn dat de omstandigheden waarin dit gedrag gunstig is nog maar kort bestaan en de mutatie nog niet opgetreden is of zich nog niet verbreid heeft. Als de situatie waarin het gedrag gunstig is telkens sporadisch en kort optreed zal het gedrag nooit de gelegenheid krijgen zich te ontwikkelen.
    Tenslotte: Woudenberg zegt dat volgens TKS we als we altruïstisch gedrag vinden we ook verwantschap moeten vinden (geen altruïstisch gedrag zonder verwantschap). Waar haalt ie het vandaan? De regel van Hamilton formuleert een conditie waarin een altruïstisch gen zich kan uitbreiden, maar sluit niet uit dat er ook andere condities zijn waaronder altruïsme (of iets wat daar op lijkt) kan ontstaan en/of gehandhaafd blijven nadat het ontstaan is. Er zijn tal van andere mechanismen geformuleerd voor het ontstaan van altruïsme of iets wat daar sterk op lijkt, waaronder indirecte reciprociteit, culturele evolutie en groepselectie (pardon, multilevel selectie). Uit de aanwezigheid van iets dat op altruïsme lijkt mogen we dus niet concluderen dat er verwantschap moet zijn.
    Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn dat Woudenbergs eerste voorspelling (iedere ouder zou altruïstisch gedrag tegenover de kinderen moeten vertonen) geen steek houdt.
    Iets dergelijks geldt voor de verwisselde babies. Dit komt zo sporadisch voor dat het de kosten van het altruïsme (in termen van relatieve fitness!) nauwelijks doet stijgen. Het alternatief ‘stoppen met verzorging van vermeende kinderen’ is veel kostbaarder. Ook het alternatief ‘herkenning van verwisseling’ lijkt niet echt nuttig. Het is zeer de vraag of er überhaupt mutaties beschikbaar zijn die dit mogelijk maken (er zouden zeer geavanceerde detectiemechanismen nodig zijn om verwisseling te herkennen, zoals bijvoorbeeld sensorische en neurale mechanismen waardoor je kunt ruiken dat het DNA van de ander voor minder dan de helft met jouw DNA overeenkomt) en als die er zijn brengen ze vermoedelijk zulke hoge kosten met zich mee dat de baten de kosten niet waard zijn (zeker gezien het zeer sporadisch voorkomen van verwisseling).
    In het derde geval (TKS zou evenveel altruïsme tussen broers en zusters als tussen ouders en kinderen voorspellen) zou Woudenberg gelijk hebben als (1) mutaties die altruïsme tussen kinderen bevorderen, net zo gemakkelijk beschikbaar zijn als mutaties voor altruïstisch gedrag van ouders tegenover kinderen, en (2) de kosten en baten van altruïstisch gedrag tussen kinderen gelijk zijn aan de kosten van altruïstisch gedrag van ouders tegenover kinderen. Aan beide veronderstellingen valt te twijfelen. Een veel voorkomende situatie is bijvoorbeeld dat de ouders de jongen gedurende een paar weken voeden en beschermen tegen gevaar. In die tijd zijn de jongen om fysieke redenen niet of nauwelijks instaat elkaar te helpen. Vervolgens gaat het gezin definitief uit elkaar. Daarna zijn de jongen dus eveneens niet instaat elkaar (selectief) te helpen. Hier verwachten we dus wel altruïsme van ouders tegenover de kinderen, maar geen altruïsme tussen de kinderen onderling.
    Kortom, Woudenbergs niet uitgekomen verwachten zijn niet zozeer ontsproten aan TKS, alswel aan Woudenbergs gebrek aan begrip van die theorie.

  11. Bedankt voor deze uitleg, Arno Wouters. Goed dat je me er op wees – ik had het nog niet zien staan!
    Als ik het goed begrijp interpreteert Van Woudenberg een theorie en bijbehorende formule foutief en trekt daar vervolgens conslusies uit. Zijn conclusies zijn daarmee ongeldig. Helder!

  12. Ik checkte de comments omdat ik bezig met een antwoord aan Van Woudenberg. Ik ben het volledig eens met Arno Wouters. De conclusie is inderdaad: Kortom, Woudenbergs niet uitgekomen verwachtingen zijn niet zozeer ontsproten aan TKS, alswel aan Woudenbergs gebrek aan begrip van die theorie.
    Blijft een gruwelijk ergerlijke vraag: Hoe weinig hoeft iemand te weten om weg te komen met valse voorlichting over evolutiebiologie, zoals Van Woudenberg hier weggeeft voor de christelijke achterban van de boekjes?

Comments are closed.

%d bloggers like this: