Bessen-appel (De Avonden, dag 10, slot)

‘Moet je nog wat wijn?’ vroeg zijn moeder. ‘Het is sap,’ zei Frits bij zichzelf. ‘Bessen-appel.’ ‘Ja, heel graag,’ antwoordde hij. ‘De helft blijft over,’ zei ze, terwijl ze hem inschonk. ‘Dat is goed voor een pudding,’ zei hij, ‘daar kun je een goede saus van maken bij griesmeelpudding.’ (De Avonden, 216.) Het laatste hoofdstuk … Lees verder

Fabriek (De Avonden, dag 9)

‘Ze hadden een bankje voor me neergezet,’ zei zijn vader, met de handen omvang en hoogte aangevend. ‘Ja.’ Hij keek voor zich uit, perste de lippen opeen, zette de vingertoppen op elkaar en zei: ‘Als ik op dat bankje stond, kon ik overal bij.’ Zijn ogen gingen iets wijder open en stonden strak op de … Lees verder

Adelaar (De Avonden, dag 8)

De man hield een schakelknop op een bakelieten doosje in de hand. Er zaten twee snoeren aan, van welke het ene naar de luidspreker en het andere naar het stopcontact van de radiocentrale leidde. ‘Zo regelt hij hard en zacht,’ dacht Frits, ‘zonder op te hoeven staan.’ (De Avonden, 138.) Frits van Egters wordt op … Lees verder

Borreltje (De Avonden, dag 7)

‘Weet je, wat het is?’ zei Frits, die niet op dezelfde plaats kopn blijven staan, ‘als ik een borrel op heb, klapwiek ik wel, maar ik kom niet van de grond. Van de grond kom ik niet.’ (De Avonden, 129.) Het zevende hoofdstuk is het meest luchtige van het boek. Het is grappig, de onderhuidse … Lees verder

Krant (De Avonden, dag 6)

Frits ging de trap af, vond de krant in de bus en bracht hem boven. ‘Hij werd in de bus gestopt, toen ik er voor stond,’ zei hij. (De Avonden, 97.) In dit hoofdstuk wordt de lezer opnieuw geconfronteerd met de onbetrouwbaarheid van Frits van Egters. Niets van wat hij zegt, kan zomaar worden geloofd. … Lees verder