Horloge (De Avonden, dag 3)

‘Het is nu twintig minuten voor tien,’ dacht Frits, ‘als je de tijd, die mijn horloge voor loopt, afgetrokken hebt.’ (De Avonden, 53).

De 24ste december staat in het teken van de verjaardag van Hansje, het kind van Jaap en Joosje. Frits is op zoek naar een cadeautje voor het kind en vindt een aluminium bekertje dat hij vakkundig weet te ruïneren. Dit derde hoofdstuk bevat wrange humor: vader die niet weet hoe hij de electriciteit werkend moet krijgen, waarop moeder antwoordt: ‘Dat is nu een intellectueel’ (46). Maar ook het geneuzel van Jaap en Frits over kaalheid en fysieke aandoeningen als bochels en bulten is grappig en wrang tegelijkertijd. Is het leedvermaak over zoveel ellende? Of is het een manier om om te gaan met de kwetsbaarheid van het leven?

Die avond, Kerstavond, gaat hij op bezoek bij Jaap en Joosje. God, Kerst en Kerstnachtdiensten lijken in De Avonden niet te bestaan. Ook sociale media bestaan niet in het universum van De Avonden. Toch krijg je als lezer voortdurend het idee dat Frits nergens echt met zijn aandacht bij is. Hij kijkt in het boek vaak op zijn horloge, alsof hij liever elders is dan waar hij is. Maar wáár wil hij zijn dan? Wat drijft hem ten diepste? Waar wordt hij echt warm van?

Hoewel de verteller van het boek in het hoofd van Frits kijkt, afgaand op het feit dat de verteller de gedachten van Frits rapporteert, lukt het nergens om echt een band met deze hoofdpersoon op te bouwen. Frits van Egters blijft een mysterie. Hij handelt, maar alles wat hij doet en denkt blijft verborgen achter een masker. Frits vertelt van alles, maar bij alles moet je je afvragen of het gemeend is. Zoals de bizarre dialoog tussen Frits en Joosje, de moeder van Hansje, wanneer het kind huilt:

‘Het is eigenlijk een kreng van een kind’, zei Frits. ‘De zenuwen zijn verkeerd gegroeid. het zal wel niet lang leven.’ ‘Zeg niet zulke gekke dingen,’ zei Joosje. ‘Het hoofd zal ook nog wel vergroeien,’ ging Frits voort. ‘Het groeit scheef, net als een plant naar het licht, let op wat ik zeg.’ ‘Ach, hij zegt maar wat,’ zei Joosjes moeder. (52)

Er lijken maar weinigen in het boek die Frits echt serieus nemen, ook al zegt hij de meest gruwelijke dingen. Dat heeft dus ook een uitwerking op de lezer, want blijkbaar moet wat hij zegt anders worden opgevat dan je op het eerste gezicht zou denken. Frits van Egters is de belichaamde ambivalentie, behalve wanneer hij droomt. De angst is beklemmend en dodelijke ernst. De droomwereld lijkt hem meer te kunnen raken dan de echte wereld.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.