Borreltje (De Avonden, dag 7)

‘Weet je, wat het is?’ zei Frits, die niet op dezelfde plaats kopn blijven staan, ‘als ik een borrel op heb, klapwiek ik wel, maar ik kom niet van de grond. Van de grond kom ik niet.’ (De Avonden, 129.)

Het zevende hoofdstuk is het meest luchtige van het boek. Het is grappig, de onderhuidse dreiging die in andere hoofdstukken soms voelbaar is, is in dit hoofdstuk even afwezig. Het verhaal is zo verteld: Frits van Egters gaat op zaterdagavond met zijn vrienden naar een café of dancing, raakt zo dronken dat hij uiteindelijk hulp nodig heeft om zijn huis terug te vinden, en moet door zijn ouders naar bed worden gebracht.

Wat me opviel, was de schijnbare luchtigheid waarmee Jaap en Joosje hun eenjarige kind Hansje alleen thuis achterlaten:

‘Laten lullie Hansje alleen?’ vroeg Frits, toen ze de trap afdaalden. ‘Wel ja,’ zei Jaap. ‘Voor een kind is het beste: zo veel mogelijk liefde en zo weinig mogelijk zorg.’ ‘En als er brand komt?’ vroeg Frits. ‘Dat is overmacht,’ zei Jaap. ‘Het stikt wel, voordat het vuur zo ver is. Dat heeft allemaal niet veel te betekenen. Er wordt veel te veel drukte van gemaakt. Als het maar goed in de rook zit. Van die groene, dikke rook.’ (114)

Zoals zovaak in dit boek, is het moeilijk om erachter te komen hoe we het gezegde moeten opvatten. Is dit macho praat van vader Jaap? Ironie of sarcasme? Waarom reageert moeder Joosje niet? Zou een moeder haar kind zo makkelijk alleen laten? Verraadt het boek hier misschien dat het door een man is geschreven?

Het is bijna niet bij te houden hoeveel borrels er in de dancing worden gedronken. Er worden ondertussen allerlei herinneringen opgehaald, waarvan opnieuw niet duidelijk is of dit stoere verhalen zijn, grootpraat, of serieuze herinneringen. Jaap raakt het eerst dronken en kotst in het urinoir. Maar de lezer heeft dan al door dat Frits ook behoorlijk ver heen is. Hij probeert Viktor omslachtig uit te leggen waarom hij slechts tot de vierde klas van het gymnasium is gekomen. Tot vervelends toe onderbreekt hij zijn verhaal door Viktor te vragen of het hem wel echt interesseert.

Frits laat zich ook weer van zijn onbetrouwbare kant zien: als hij voor de groep moet afrekenen, blijkt dat hij geld tekort komt. In plaats van bij te passen, maakt hij zich met een smoes uit de voeten. En dat terwijl thuisgekomen blijkt dat hij nog genoeg geld in zijn portemonnee had gehad.

Thuisgekomen zijn zijn ouders thuis, die natuurlijk al gauw doorhebben dat hij ver heen is. Ze kleden hem uit en leggen hem in bed. Hij kotst een emmer vol en gaat liggen, terwijl hij de wereld voelt ronddraaien (een bekend gevoel voor ieder die wel eens teveel gedronken heeft). Hij valt in een diepe slaap; van dromen horen we dan niet meer.