‘Egters, wat dwaal jij hier rond als een verdoold schaap?’ vroeg een stem naast hem. Een slanke jongeman schudde hem, toen hij zich had omgedraaid, de hand. Frits glimlachte en bekeek scherp het knappe, lichtbruine gezicht met de diep liggende, donkerblauwe ogen. ‘Let op het merk, als u tandpasta koopt,’ dacht hij. ‘Dwalen?’ antwoordde hij, ‘ik dwaal niet. Het zal wel vervelend worden vanavond, denk je niet, Wim?’ De jongeman bleef hem enige ogenblikken aankijken, voordat hij achteloos antwoordde: ‘Waarom? Het kan best aardig zijn.’ ‘We hebben elkaar in lang niet gezien,’ ging hij voort. ‘Hoe gaat het jou?’ ‘Mij gaat het best,’ zei Frits. Daarop zwegen ze. Frits keek voor zich op de grond. ‘Ik zie je nog wel,’ zei de jongen en liep verder. (De Avonden, 36.)
Het tweede hoofdstuk van De Avonden vind ik altijd het meest beklemmende, het meest angstaanjagende. Op 23 december gaat Frits van Egters naar een reünie van het Gymnasium. Je denkt dan: gezellig, zo in de Kersttijd. Iedereen is in een goede stemming, het is vast gezellig. Maar niets van dat alles. Kerst komt in De Avonden amper ter sprake. En de sociale wereld is een kale, lege vlakte.
Het angstaanjagende van het hoofdstuk zit in de leegheid, de emotieloosheid, de apathie van de ontmoeting tussen mensen. Terwijl een weerzien na zoveel jaren voor velen iets vreugdevols is, voelt Van Egters bezoek aan de reünie als een verplichting. De sociale interacties zijn onwennig. ‘Hoe gaat het jou?’ ‘Met mij gaat het best’, en daarna volgt zwijgen, dat ongemakkelijk aanvoelt voor de lezer, maar in het boek bijna vanzelfsprekend lijkt. Je geen houding kunnen of willen geven. Je niet willen begeven in sociale interactie. Je niet bloot of kwetsbaar willen of durven opstellen. Niets prijsgeven.
Opvallend is dat de dromen die Frits in De Avonden heeft, vol van emotie zitten, vooral angst. Het dagelijks leven van Frits is opvallend emotieloos. De omgang met de personen die in het boek ten tonele komen, is hol, leeg. De personen in De Avonden zouden net zo goed zombies kunnen zijn, of robots. Maar kan een robot dromen?
Zo gezien voelt het boek uit 1947 opvallend hedendaags en realistisch. De sociale interacties van vandaag kenmerken zich ook door apathie, emotieloosheid, het gevoel van verplichting, onwennigheid. Als er al emotie wordt getoond, is het boosheid of ergernis – vraag het winkelpersoneel maar!
“‘Er is geen terug meer mogelijk,’ dacht Frits. ‘We zetten een onverschillig of desnoods vrolijk gezicht'” (p. 34). Een masker, een persona, maar eigenlijk is het non grata.
Sartre zei nog dat de hel de anderen zijn. De Avonden laat zien dat Sartre het bij het verkeerde eind had. De wereld waarin wij leven is een hel die ieder voor zich creëert. De hel bestaat niet, behalve in onze eigen hoofden.