Fabriek (De Avonden, dag 9)

‘Ze hadden een bankje voor me neergezet,’ zei zijn vader, met de handen omvang en hoogte aangevend. ‘Ja.’ Hij keek voor zich uit, perste de lippen opeen, zette de vingertoppen op elkaar en zei: ‘Als ik op dat bankje stond, kon ik overal bij.’ Zijn ogen gingen iets wijder open en stonden strak op de overgordijnen gericht. (De Avonden, 156.)

Wanneer Frits op maandagmiddag 30 december na het werk zijn fiets uit de fietsenstalling haalt, blijkt hij een lekke band te hebben. Hij moet door de miezerregen lopend naar huis, de fiets aan de hand. Thuisgekomen eet hij rode kool, aardappels, bieten en havermoutpap. Daarna ontspint zich een ontroerend gesprek, waarbij de vader van Frits even in het spotlicht mag vertoeven.

Frits vraagt zijn vader hoe oud hij was toen hij naar de fabriek moest om te werken. Voor Frits is het een bekend verhaal, en Reve suggereert dat Frits plagerig zijn vragen stelt. Maar zijn vader vertelt alsof het de eerste keer is. Hij was twaalf toen hij in de weverij moest werken. De fabriek was een gigantische hal waar een lange as met tandwielen draait, en waarin alles overstemd wordt door machinaal lawaai, dreunen, zoemen, rammelen en geratel, alles tegelijk. ‘Je kunt er helemaal niet tegenin praten. Je spreekt met gebarentaal, met de handen’, zegt vader (157). Hij werkte daar vijf jaar.

Zou hij daar zijn hardhorendheid hebben gekregen, vraag je je als lezer af. Reve laat het antwoord in het midden. Die avond gaat Frits naar zijn vrienden in de woning van Bep Spanjaard. Bep heeft kaarten geregeld voor een late film, en voordat de groep naar de bioscoop vertrekt, verzamelen ze zich bij Bep. Er is ook een nieuw personage, Eduard Hoogkamp. De anderen lijken Hoogkamp te kennen, maar het lijkt alsof dit Frits’ eerste kennismaking is. Frits heeft vanaf de allereerste kennismaking een grote aversie jegens Hoogkamp, hoewel nooit duidelijk wordt waarom.

Die aversie komt tot een zeer ongemakkelijk hoogtepunt wanneer later die avond, bij de bioscoop, Frits zich direct tegen Hoogkamp richt:

Hij ging vlak naast Hoogkamp staan en zei: ‘Ik heb van jou nog geen nauwkeurige indruk gekregen.’ ‘Vooruit,’ dacht hij, ‘geen dwaze gevoeligheid.’ ‘Je lijkt me een beetje een zak,’ zei hij. Hoogkamp antswoordde niet. Ze stonden met hun vijven voor een grote fotovitrine. ‘Ik zeg dit niet om hatelijk te zijn, begrijp goed,’ ging Frits voort. ‘Het is een kwestie van oprehtheid. Jij hebt nu eenmaal, dat is me gebleken, een beperkt verstandelijk vermogen. Moet dat verzwegen worden?’ Hij voelde zich plotseling moe worden. ‘Wat een gif, wat een ellende,’ dacht hij. ‘Ik wens je veel succes,’ ging hij verder. (172)

Wat me vooral verbaast, is dat niemand voor Hoogkamp opkomt, dat niemand Frits tot de orde roept, alsof ze dit toch volstrekt onaangepaste gedrag van Frits normaal vinden. Frits gedraagt zich als een enorme klootzak, totaal gevoelloos, maar tijdens de film krijgt hij vochtige ogen. Hij raakt ontroerd en vlucht na de film zo snel mogelijk de bioscoop uit, naar huis. Wat zijn vrienden ervan vinden? Het is gissen. Frits schaamt zich voor zijn betraande ogen, maar hoe zijn onaangepaste gedrag op hen overkomt, daar maalt hij blijkbaar niet om.

Het zijn deze details die me af en toe verleiden tot het denken dat we dit hele boek misschien moeten lezen als één lange droom van iemand die droomt dat hij Frits van Egters is…