‘Moet je nog wat wijn?’ vroeg zijn moeder. ‘Het is sap,’ zei Frits bij zichzelf. ‘Bessen-appel.’ ‘Ja, heel graag,’ antwoordde hij. ‘De helft blijft over,’ zei ze, terwijl ze hem inschonk. ‘Dat is goed voor een pudding,’ zei hij, ‘daar kun je een goede saus van maken bij griesmeelpudding.’ (De Avonden, 216.)
Het laatste hoofdstuk van De Avonden. Ook het langste. Na dit hoofdstuk gaat het boek weer voor een jaar de boekenkast in.
Het is oudjaarsdag, wanneer Frits ’s middags van het werk terug naar huis loopt (hij had immers een lekke band). Hij komt Maurits tegen, en we komen weer iets meer over deze psychopathische persoonlijkheid te weten. Zo vertelt hij hoe hij bij het zwembad kleren jat van badgasten die hun hebben en houden in de kleedhokjes achterlaten.
Frits lijkt eens eerlijk, wanneer hij tegen Maurits opbiecht: ‘In mijn beleefdheid schuilt ook vrees. Ik weet veel van je. Ik moet altijd rekening houden met de kans, dat je mij in een kwade bui in een steeg kapot steekt’ (178). Er staan in dit hoofdstuk meer van zulke momenten, waarin Frits eerlijk voor de dag komt, zoals tijdens de ontroerende scene wanneer zijn moeder met een fles op de proppen komt. Ze denkt dat het wijn is, maar het blijkt een vruchtensap te zijn. Frits lijkt oprecht geraakt door de onbeholpenheid van zijn moeder en vlucht naar zijn kamer.
‘Na het licht te hebben aangestoken, ging hij voor zijn schrijftafel staan. ‘Gij, die de sterren houdt in het holle van uw hand,’ zei hij zacht, ‘ik weet, dat deze dingen door u gezien worden.’ Een traan verliet zijn rechterooghoek; bijna onmiddelllijk kwam er ook een uit de linker. Hij boog zijn hoofd voorover, greep een blad papier van de hoek van de tafel, legde het voor zich neer en bracht zijn gezicht erboven. Het vocht verenigde zich op de rug van de neus en vloeide naar de punt. Een druppel viel op het papier. Hij ging zitten, proefde er met de tong van en veegde zijn gezicht droog met zijn zakdoek. (205)
Het zijn dergelijke passages die het boek zo de moeite waard maken. Ze hebben een bijna filmische kwaliteit en tegelijkertijd zijn ze zo ambivalent, je blijft erover nadenken. Want wat gebeurt hier nu eigenlijk? Frits die huilt, maar ook bijna berekenend zijn tranen opvangt om ze te proeven.
Het boek eindigt in het klein. Frits die door het hele boek heen voor zichzelf op de vlucht lijkt en bij vrienden zijn heil zoekt, dat hij nergens vindt, is aan zichzelf overgelaten. Zijn wereldje blijkt ineens heel klein. Geen van zijn vrienden blijkt na twaalven thuis te zijn. Hij is alleen thuis met zijn ouders. En dan ontstaat het besef dat die ook, ooit zullen sterven en dat hij dan aan zichzelf is overgelaten.
En toch, helemaal alleen lijkt hij zich niet te voelen. Want in de laatste zin geeft hij er blijk van dat hij zich toch gezien weet.
Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. ‘Het is gezien,’ mompelde hij, ‘het is niet onopgemerkt gebleven.’ Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap. (222)
Voelt hij zich gezien de God die hij doorheen het hoofdstuk af en toe aanroept? We weten het niet. Maar hij valt in een diepe slaap, waar geen angstdroom hem die nacht plaagt.