Adelaar (De Avonden, dag 8)

De man hield een schakelknop op een bakelieten doosje in de hand. Er zaten twee snoeren aan, van welke het ene naar de luidspreker en het andere naar het stopcontact van de radiocentrale leidde. ‘Zo regelt hij hard en zacht,’ dacht Frits, ‘zonder op te hoeven staan.’ (De Avonden, 138.)

Frits van Egters wordt op zondagochtend de 29ste december wakker met een enorme kater, wat niet mag verwonderen, gezien het feit dat zijn ouders hem de avond ervoor nog het bed in moesten hijsen. Je zou verwachten dat zijn ouders hem met zijn uitspatting zouden confronteren, maar ze lijken zich flink te beheersen.

Er zitten heerlijk onsmakelijke details in dit hoofdstuk. Zo ruikt Frits voortdurend een zure geur, de geur van braaksel, maar hij kan de bron ervan niet localiseren. Wanneer hij dan zijn neus in de overgordijnen steekt om eraan te ruiken, denkt zijn moeder dat Frits zijn neus aan de gordijnen afveegt. Er ontspint zich een kort gesprek waarin zijn moeder hem verwijt spul uit zijn neus onder de stoel te plakken.

‘Dat is iets anders,’ zei Frits. ‘Wat hard is, moet er met de vingers worden uitgehaald. Dat gaat niet met een zakdoek. En onder aan een stoel is de beste plaats. Trouwens, waar je ook komt: als je onder de zittingen voelt, vallen de stukken gedroogd snot op de grond.’ (136)

Na de lunch vertrekt Frits, die blijkbaar weer iets is opgeknapt, om Joop en Ina te bezoeken, die bij de ouders van Ina verblijven, de familie Adelaar. Daar aangekomen, blijkt alleen vader thuis te zijn. Meneer Adelaar zit te luisteren naar de radio met een soort afstandsbediening waarmee hij het volume van zijn radio kan bedienen.

Van meneer Adelaar komt de lezer niet veel te weten, en toch ontstaat er een indruk. Hij is al net zo gesloten als de vader van Frits, en af en toe krijg je de indruk dat ook Adelaar wat hardhorend is. Maar door het gesprek met Adelaar krijg je ook ineens iets nieuws over Frits te horen, wanneer het gaat over een opvoering van een stuk van Shakespeare, Driekoningenavond. Ineens blijkt Frits daar veel van te weten.

‘Opvoering van het Nieuw Gezelschap. Dat is iets geweldigs.’ ‘Ben je er geweest?’ vroeg Adelaar. ‘Nee,’ antwoordde Frits, ‘ik heb erg weinig tijd gehad de laatste dagen.’ ‘O,’ zei de ander. ‘Maar ik heb veel mensen gesproken,’ zei Frits, ‘die een goede smaak hebben. Nee, het moet een bijzondere opvoering zijn. Ze wisselen van toneel met open doek. Dan komen toneelknechten in oude kostuums op, terwijl al een ander dekor naar voren schuift. Intussen danst een danseres vooraan, bij het voetlicht, op oude muziek, om de aandacht af te leiden. Dat is knap gedaan. het is de moeite waard.’ (138-139)

Dit is weer zo’n stukje om op te kauwen. Er zit een leugen in, (‘ik heb erg weinig tijd gehad de laatste dagen’), die ook te denken kan geven. Zou Frits tegen Adelaar de waarheid spreken? Of speldt hij de man iets op de mouw? Heeft Frits ergens in de krant een recensie gelezen? Zo kunstminnend lijkt hij niet te zijn. Of zwetst hij hier weer allerlei zaken bij elkaar? Immers, zoals Bep later in het hoofdstuk zegt: “‘Als het niet zo gebeurd was,’ zei Bep, ‘had jij het wel bedacht. Jij schijnt niet zonder die dingen te kunnen'” (147).

Het zijn dergelijke details die het lezen van dit boek ieder jaar weer de moeite waard maken…