Close

Van zichzelf bevrijd: Levinas over God, transcendentie en ethiek (boekbespreking)

Renée van Riessen, “Van zichzelf bevrijd”.
Bron omslagillustratie: Bol.com

Zowel in Nederland als in Duitsland waren het in eerste instantie vooral theologen die het denken van de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) omarmden en introduceerden. Levinas schreef in zijn filosofie ongegeneerd over God en over liefde voor de naaste, ook al was zijn filosofie ongelooflijk moeilijk en was lang niet altijd duidelijk wat hij bedoelde. Vandaag de dag is Levinas bij het brede publiek vrijwel onbekend, en hebben vrijwel alleen filosofen het nog over hem, en dan in het ergste geval ook nog alleen over zijn ethiek.

Vandaar dat de Nederlandse filosoof Jan Keij recentelijk in een interview in Trouw nog zei dat Levinas’ denken ons van een hoop theologische ballast verlost en zou kunnen resulteren in een religie die ook voor atheïsten heel acceptabel is. Het lijkt erop dat je boeken over Levinas kunt schrijven zonder dat je God hoeft te noemen.

En toch: het mag zo zijn dat ethisch denken bij Levinas centraal staat, je neemt hem niet serieus als je niet erkent hoezeer zijn denken is verankerd in ideeën omtrent transcendentie en oneindigheid, oftewel: God.

Dat wordt vooral duidelijk uit het vorig jaar verschenen boek Van zichzelf bevrijd van Renée van Riessen. Van Riessen is dichteres, godsdienstfilosofe bij de PThU in Groningen en bijzonder hoogleraar vanwege de Stichting voor Christelijke Filosofie in Leiden (de enige vrouwelijke hoogleraar van deze Stichting; de overige vijf zijn mannen). Dat ze deel uitmaakt van een reformatorische denktank uit het boek niet op te maken. Sterker nog: in het boek geeft ze vanuit Levinasiaans perspectief felle kritiek op de hedendaagse belangstelling voor godsbewijzen en betoogt ze dat gelovigen voor wie het gaat om het verwerven van kennis van God het niet begrepen hebben. Geloof moet vooral draaien om ‘vragen die met goedheid, barmhartigheid en gerechtigheid te maken hebben’.

Van Riessen laat zien hoe Levinas’ ideeën ten diepste zijn gegrond in het joodse denken over Gods terugtrekking (kenosis of zimzum genoemd). Uitgedrukt in de mythologische taal van de joodse mystiek: God schiep de wereld door zich terug te trekken in zichzelf. De ruimte die daarbij vrijkwam werd de ruimte waarin de wereld de vrijheid kreeg om zichzelf te ontwikkelen.

Gods zich-wegcijferen gaat bij Levinas zover dat de sleutel van de verlossing in menselijke handen komt te liggen. Of zoals Etty Hillesum in haar dagboek ten tijde van de oorlog zo mooi schreef: ‘Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij [God] ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf’.

Renée van Riessen (bron: http://www.christelijkefilosofie.nl / Marjoleine Klarenbeek

God is dus nimmer als een ding aanwijsbaar in de wereld aanwezig. Tegelijkertijd verzet Levinas zich ook tegen een plat materialisme, want de wereld kan nooit volledig door het menselijk denken begrepen worden. Levinas gaat lijnrecht in tegen de traditionele westerse filosofie die zoekt naar een manier om de eenheid, volledigheid en geslotenheid van het zijn te denken. Dat denken noemt Levinas ten diepste ‘tragisch’, want het kan zich niet onttrekken aan wat Van Riessen noemt ‘de noodlottige gebondenheid van het zelf aan zichzelf’.

Het denken kan zichzelf niet bevrijden uit de cirkel van zelfbetrokkenheid waarin het opgesloten zit. Maar het lichaam kan dat wel. Vandaar dat Levinas ook schrijft over lichamelijke sensaties als genieten en erotiek, en over de dood (die als dood van het lichaam ook een bevrijding van het zelf is). ‘Het lichaam’, schrijft Van Riessen’, ‘zoekt een manier van omgang met dat wat de geest niet vatten kan’.

Maar dit alles betekent ook dat het denken niet op eigen kracht bij God kan uitkomen. Maar hoe komt een mens dan aan het idee God? Volgens Levinas ‘overkomt’ de idee van het Oneindige ons ‘in de concreetheid van mijn relatie tot de andere mens, in de sociale betrekking die mijn verantwoordelijkheid voor de naaste is’.

Voor Levinas draait alles om het gelaat van de ander. Dat gelaat kan nooit door mij volledig doorgrond worden, de ander blijft tot op zekere hoogte altijd een vreemde voor me, een ondoorgrondelijke, oneindige diepte. Maar die ander doet wel een appel op mij, vooral als die ander lijdt. Waar komt dat beroep vandaan? Volgens Levinas komt dat beroep op mij, ik-weet-niet-waarvandaan. De ander is oneindig voor zover die nooit helemaal door mij doorgrond kan worden. En de schok van de morele ervaring die de oneindige ander bij mij wakker roept, roept vervolgens de gedachte aan God, de Oneindige bij uitstek, bij mij wakker.

Zo laat Van Riessen in haar boeiende boek prachtig zien hoe Levinas’ denken begint en eindigt bij God, hoe joods zijn denken is, maar tegelijkertijd ook volstrekt origineel hij is. Dat doet ze in fraai vloeiende zinnen, die overigens niet wegnemen dat Levinas een notoir duistere denker blijft die teksten schreef die makkelijk als een verzameling enigmatische tegeltjes gelezen kunnen worden. Het is een gekke ervaring om dit boek te lezen: ergens heb je het idee dat je snapt waar het om gaat, maar tegelijkertijd blijft er ook iets in de tekst en in het denken van Levinas waarvan je het gevoel hebt dat het je ontgaat.

Bovendien is dit een belangrijk boek, want Levinas blijkt uiterst actueel. De horizon op Levinas’ denken die van Riessen opent, zal niet iedere lezer even welgevallig zijn. Levinas was veel geloviger én ongeloviger tegelijkertijd dan menig ongelovige én gelovige lief zal zijn. Zijn denken tot seculier humanisme en ethiek reduceren doet hem onrecht. Levinas’ denken laat zich niet in een hokje duwen. Zelfs hem een ‘joodse denker’ noemen, doet in zeker opzicht onrecht aan zijn hoogst originele denkwijze.

Maar vooral roept Levinas op om onszelf te verliezen doordat we ons onvoorwaardelijk open moeten stellen voor de hulpbehoevende en lijdende ander die een beroep op ons doet. We ons open moeten stellen voor wat onze rust verstoort, die verstoring zelfs welkom heten.

Dat dat in onze tijd verre van vanzelfsprekend is, is ook Van Riessen duidelijk: ‘van transgenders die het geijkte onderscheid van de mensheid in twee seksen ter discussie stellen bij een ingeburgerde traditie van het vieren van Sinterklaasfeesten met een pikzwart geverfde “Zwarte Piet”. De felheid van de maatschappelijke discussies die hierop volgen maakt duidelijk dat deze ander met zijn vragen dikwijls de ongewenste is’.

De ander zorgt in onze samenleving voor een onrust die als bedreigend wordt ervaren en daar spelen de wollige meningen van schreeuwerige populisten gretig op in. En dat terwijl diezelfde onrust in Levinas’ ogen juist heilzaam was, omdat die ons juist tot mensen maakt. Je identiteit vind je niet door je met alle macht aan een illusoir idee ervan vast te klampen.

Je identiteit krijg je volgens Levinas pas als je haar als geschenk van de ander aanvaardt. Je kunt jezelf alleen vinden door jezelf te verliezen. En dat laatste vergt zowel moed als mededogen. Van Riessen presenteert Levinas als een bevlogen en tegendraadse denker met een boodschap die vandaag de dag meer gehoor verdient.

(Dit is een sterk uitgebreide versie van een recensie die eerder in het Nederlands Dagblad verscheen.)

Van zichzelf bevrijd. Levinas over transcendentie & nabijheid.
Renée van Riessen.
Sjibbolet, 2019. Paperback. 224 pp.
ISBN 9789491110337. € 21,50

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: