Twee recente theologieboeken besproken en vergeleken: (2) Harry Kuitert

Onlangs verschenen er twee radicaal tegengestelde theologieboeken. Allereerst Gerben Heitinks Golfslag van de tijd: Europa’s niet te stillen verlangen naar God (Utrecht: Kampen 2011, 372 pp, ISBN 9789043519625, 19,95 euro), en niet lang daarna het boek van Harry Kuitert, Alles behalve kennis: Afkicken van de Godgeleerdheid en opnieuw beginnen (Utrecht: Ten Have 2011, 304 pp, ISBN 9789025901127, 19,95 euro). Beide boeken gaan over God, godsgeloof en theologie. Maar de boodschap van beide boeken is radicaal tegengesteld. In een tweetal blogbijdragen bespreek en vergelijk ik beide boeken.

In een eerdere bijdrage besprak ik het boek van Gerben Heitink. Vandaag het tweede deel: een bespreking van het boek van Harry Kuitert, emeritus hoogleraar Ethiek aan de VU. En wat conclusies tot slot.

In recente interviews suggereerde Kuitert dat zijn meest recente boek, Alles behalve kennis; Afkicken van de godgeleerdheid en opnieuw beginnen, wel eens zijn laatste boek zou kunnen zijn. Als dat zo is, en dat moet uiteraard nog blijken, dan heeft hij met dit boek een verrassend waardig laatste boek geschreven. Ik geef toe: ik begon met tegenzin aan dit boek. De boeken van Kuitert sinds zijn bestseller Het algemeen betwijfeld christelijk geloof vond ik nogal rancuneus en neuzelig van toon. Ook gezien de omslag van het boek – die erg veel doet denken aan het eerste boek van de “atheïstische dominee” Klaas Hendrikse, en ik was niet de enige die dat opviel – kreeg ik weinig hoop. Maar toen ik eenmaal aan dit boek was begonnen, kwam ik tot een verrassende ontdekking: dit boek gaat echt over theologie, en het is bovendien verrassend goed!

In het boek overziet en beschrijft Kuitert de theologiegeschiedenis. Hij beschrijft op heldere wijze hoe de theologie al vanaf het begin de pretentie had om kennis omtrent God te leveren, om “Godgeleerdheid” te zijn. Maar wat is dan die kennis? Kennis moet immers, zo Kuitert, “slaan op wat bestaat”. En bij God is het helemaal niet zeker dat Hij bestaat, je kunt God niet bestuderen door middel van tellen, wegen en meten. En dus is het lang niet zeker dat kennis van God ergens op slaat. Toch pretendeerden theologen dat ze kennis over God konden leveren. Dat gebeurde in de Middeleeuwen, maar volgens Kuitert is dat kennisideaal met name in de gereformeerde scholastiek op zijn hoogtepunt. Daarna gaat het gauw bergafwaarts. Met name ten tijde van de Verlichting, toen het “vrijmoedige subject” (Kuiterts term) opkwam dat autoriteit betwijfelde, lastige vragen durfde te stellen, en geen dogma’s aannam, raakte de theologie behoorlijk in de problemen.

Wie het boek tot zover heeft gelezen, heeft nog slechts amper een derde van het boek gelezen. Het is ongelooflijk hoe Kuitert de theologiegeschiedenis condenseert in een paar pagina’s, er de kern uit weet te vatten, en dat ook nog zonder al te stereotypen te schetsen. Historici zullen Kuitert wel te ongenuanceerd vinden, het is dan ook geen objectieve geschiedschrijving wat hij pretendeert, maar hij leest de geschiedenis door een “Kuitertse bril”. En dat mag. Bovendien denk ik dat hij wel degelijk een punt heeft.

Maar als tijdens de Verlichting de theologie van haar kennisideaal werd beroofd, was het dan gedaan met de theologie? Nee, er werden ijverige pogingen gedaan om de theologie te redden. De laatste poging werd gedaan door de Zwitserse theoloog Karl Barth. Kuitert denkt dat Barth zowel het hoogtepunt van de historische ontwikkeling is – bij Barth is het God zelf die de theologie doordenkt – als ook een laatste poging. Na Barth stelt de theologie weinig meer voor. Kuitert wijdt dan ook veel ruimte aan een uitgebreide beschrijving van Barths ideeën, met name wat betreft de kennis over God. Ik ga dat hoofdstuk niet samenvatten – Kuitert doet al genoeg moeite om het enorme oeuvre van Barth samen te vatten, om dan nog eens Kuiterts samenvatting samen te vatten, nee dat is vragen om problemen.

Het hoofdstuk over Barth beslaat ongeveer tweederde van het boek. En dat is veel. Niet alleen beschouwt Kuitert Barth als de meest invloedrijke theoloog van de twintigste eeuw. Maar ook het hoofdstuk een persoonlijke afrekening van Kuitert met zijn eigen gereformeerde verleden, dat is duidelijk. Voor mij verrassend was dat Kuitert Barths ideeën zonder enige rancune of spot beschrijft. Kuitert neemt Barth serieus, maar geeft niettemin uitstekend aan waar het grote probleem met Barth zit. Een paar citaten:

“Het denken kan nooit bij God uitkomen, is zijn [=Barths] oordeel. En toch beantwoordt aan het denken van Barth over God werkelijkheid? Dat kan niets anders betekenen dat dat Barths denken niet het denken van Barth is, maar het denken van God in Barth.” (187)

“Barths kennis van de God van het christelijk geloof, zoals ontvouwd in de KD, is geen kennis maar een constructie, opgezet vanuit wat deze God volgens Barth tot God maakt. Eerst was er Barth, en toen zijn dogmatiek; eerst wars er Barth, en toen zijn uitgangspunt van de unaufhebbare Subjektivität Gottes; eerst was er Barth, en toen de invulling van deze Subjektivität als die van de God aller genade.” (245)

“Maar kennis Gods is geen kennis, ik heb heel dat hoofdstuk over Karl Barth erbij gehaald om te laten zien hoe de pretentie van kennis over de kop slaat: ze kan zich slechts overeind houden door ‘s mensen geest te laten samenstemmen met Gods Geest, wat Godskennis heette eindigt bij ongecontroleerde en oncontroleerbare subjectiviteit.” (278)

Kuiterts grote probleem met Barths theologie, kort samengevat, is dat Barth pretendeert kennis van God te leveren, maar dat het uiteindelijk draait om Barths constructie van die kennis. En daarmee valt het hele kaartenhuis van Barths theologie in elkaar.

Zoals gezegd, na Barth is het afgelopen met de theologie – tenminste met theologie als leverancier van kennis over God. Is theologie daarmee überhaupt overbodig geworden? Verrassend genoeg vindt Kuitert dat niet. In het laatste deeltje van het boek legt hij in een verrassend warm pleidooi uit hoe theologie nog wel degelijk relevant is, namelijk als hermeneutiek, “de christelijke leer over God uitleggen als kijk die de gelovige op zichzelf heeft, samen te vatten in: wat hij als zijn identiteit beleeft” (278). Voor Kuitert is die hermeneutiek niets minder dan een kunst:

“Hermeneutiek als uitleg van menselijke uitingen … is een kunst, zoals politiek een kunst is, en geen wetenschapsbeoefening op de wijze van de natuurwetenschappen.” (298)

Theologie als hermeneutiek doet een poging om te begrijpen hoe de mensen de wereld betekenis hebben gegeven door middel van het symbool God en alles wat daarmee samenhangt. Dat levert dus geen kennis op omtrent God; hooguit levert het kennis op van hoe mensen God beleefd hebben. Wat is dan het belang? Ik citeer voor de laatste keer Kuitert zelf:

“Welk belang komt hermeneutiek toe? Het antwoord kan ik … kort samenvatten: mensen leven van interpretatie, van hun wereld, van zichzelf, van alles waarmee ze bezig zijn, en ga maar door. Van die geestelijke activiteit studie maken via een eigen discipline, nagaan hoe mensen interpreteren en wat ze in hun uitleg over zichzelf zeggen – dat is de corebusiness van hermeneutiek, ook van theologie als hermeneutiek. Wat erbij hoort is regels van de kunst opstellen, die de beoefenaar ervan zich eigen hoort te maken wil hij zijn vak goed uitoefenen, zoals een arts zich de regels van de geneeskunst eigen maakt om een goede arts te kunnen zijn.” (298)

Kuitert beoogt niets meer of minder dan een herijking van de theologie, ges
toeld op de leest van de hermeneutiek. Ik denk inderdaad dat Kuitert hier een punt heeft. Hij ziet zelfs mogelijkheden om de dogmatiek nog een rol van betekenis te laten spelen (p. 295v.)! Ik vind Kuiterts anliegen sympathiek, er zit wat in, maar toch moet ik er nog wat verder over na denken, ik ben dus nog niet klaar met dit boek.

Kortom: tot mijn verrassing is dit boek veel genuanceerder en aanmerkelijk theologischer dan veel van Kuiterts eerdere boeken. Het is een verrassend inhoudelijk boek, gestructureerd, met een constructief-positieve visie, toegankelijk geschreven en echt boeiend. Ook de rancuneuze en bijtende toon uit Kuiterts vorige boeken is verdwenen. Het is wel een echt theologieboek geworden, veel minder toegankelijk voor “gewone” kerkgangers dan Kuiterts vorige boeken, maar juist daardoor vind ik het een geslaagd boek dat ook vaktheologen uitnodigt om opnieuw over hun discipline na te denken.

Vergelijking met Heitink – eigenlijk moeilijk te maken

Net als Heitink heeft Kuitert een persoonlijk boek geschreven. Heitinks boek was een geschiedschrijving vanuit een persoonlijk perspectief. Maar waar Heitink het over de geschiedenis van de Westerse cultuur heeft, daar beperkt Kuitert zich tot de geschiedenis van de christelijke theologie. Een ander verschil is dat Heitink eigenlijk op zoek is naar een nieuwe rol van God-talk in onze huidige cultuur. Heitink ziet toekomst voor God, met name als het Tayloriaanse onderscheid tussen een “open” en “gesloten” werkelijkheid in acht wordt genomen. Kuitert gaat echter geheel uit van een gesloten werkelijkheid als feit en lijkt dus veel minder optimistisch dan Heitink. Want hoe je het ook wendt of keert, bij Kuitert levert de theologie aan intellectuele waarde in. De theologie als hermeneutiek is een onderdeel van de geesteswetenschappen geworden. En God-talk bij Kuitert? Die is betekenisloos, want aan het woordje “God” beantwoordt geen referent buiten het hoofd van de gelovige. De referent van het woordje “God” zit in het hoofd van de gelovige. Daarbuiten is niets. God is van verbeelding, God is verbeelding. Ofschoon Kuitert zich verzet tegen de nivellering van verbeelding tot louter fantasie, zal ook hij niet kunnen voorkomen dat hij in de ogen van veel gelovigen actief bijdraagt aan de uitholling van godsgeloof in onze cultuur. Heitink is in dat opzicht veel constructiever en legt zich (m.i. terecht) niet neer bij een gesloten werkelijkheid, dat Kuitert als gegeven accepteert.

Mij is uiteindelijk wel duidelijk geworden dat de boeken van Heitink en Kuitert eigenlijk moeilijk te vergelijken blijken. Ofschoon ik had verwacht dat ze binnen hetzelfde genre zouden liggen, heb ik mij verbaasd hoe vaktheologisch Kuiterts boek blijkt te zijn. Ik had verwacht dat Kuiterts boek zou drijven op de belangstelling voor Klaas Hendrikse. Maar Kuitert heeft met dit boek bewezen dat hij heel wat meer intellectuele bagage heeft dan Hendrikse. En dat pleit dus voor Kuitert. Tegelijkertijd is het wel zo dat het boek van Heitink gedegener is, met voetnoten en bronvermeldingen. Kuitert heeft een summier lijstje aan literatuurvermeldingen en zegt vrijwel nergens hoe hij aan zijn materiaal komt. En Heitinks boek is op bepaalde manier spiritueler. Kuitert is een rationalist pur sang. Heitink is existentiëler en spiritueler. Waar Kuitert probeert aan te geven waar het misgaat in de theologie, daar probeert Heitink juist aan te geven wat nog wél kan (in hoeverre hij daarin slaagt, laat ik aan de lezer over).

Ik kan echter niet anders concluderen dan dat ik beide boeken, die van Heitink én die van Kuitert, van harte kan aanbevelen. De boeken van deze beide emeriti professoren behoren tot het beste wat er qua Nederlandstalige theologische literatuur dit jaar is verschenen.

4 thoughts on “Twee recente theologieboeken besproken en vergeleken: (2) Harry Kuitert

  1. Dank je Taede voor deze samenvatting, het is handig voor buitenstaanders om snel even te weten wat er zoal gepubliceerd wordt en wat er ongeveer gezegd wordt…

  2. Dit is de manier waarop Kuitert schrijft, zijn stijl. Veel spreektaal. Dit is een voorbeeld ervan. Wel moet gezegd worden dat dit boek veel minder spreektaal kent dan de vorige boeken van Kuitert. Maar god, een mooie stijl is anders.

  3. Taede Smedes

    Hartelijk dank voor je mooie bespreking van Kuiterts boek. Het is de eerste serieuze recensie die ik lees (naast het artikel in Volzin)
    Inderdaad een verrassend goed boek.

    Nu neem ik Heitink ter hand!

Comments are closed.