Close

“Onszelf voorbij” – Een fris filosofisch geluid (boekbespreking)

Omslag (bron: De Arbeiderspers)

‘Een boek schrijven is in onze tijd zo gemakkelijk als het maar kan’, schrijft de Deense filosoof Kierkegaard, en hij vervolgt: ‘Je neemt naar goed gebruik tien oudere boeken die dezelfde materie behandelen en daaruit schrijf je een elfde bij elkaar, weer over dezelfde materie’ (Kierkegaard, ‘Voorwoord VII’, in: S. Kierkegaard,  Voorwoorden, de crisis, de heer Phister (Sören Kierkegaard Werken 13), Eindhoven: Damon 2018, p. 45).

Wat Kierkegaard in 1844 schreef als een satirisch voorwoord van een nooit verschenen boek, is vandaag de dag helaas maar al te waar als het gaat over veel academische filosofie. Talloze academische filosofen hebben er hun beroep van gemaakt om voortdurend maar weer het obscure denken van Heidegger, Derrida, Deleuze of Badiou te moeten herhalen en uitleggen in woorden die minstens zo obscuur zijn, en de originaliteit van hun eigen bijdrage lijkt er louter in te bestaan om uit het bijeenbrengen van oude teksten een nieuwe tekst voort te brengen.

Door veel niet-filosofen worden dit soort praktijken – terecht – met argusogen bekeken. Dat verklaart deels ook de problemen waarin veel filosofiefaculteiten verkeren om bijvoorbeeld fondsen voor onderzoek te werven. Filosofie lijkt nog slechts uit hogere uitlegkunde te bestaan en de relevantie voor het dagelijks leven en denken lijkt ver te zoeken. Overigens morren ook academische filosofen hier steeds vaker over – dan denk bijvoorbeeld aan het manifest dat de Nijmeegse filosoof Hans Thijssen in 2016 publiceerde om filosofie minder theoretisch te maken en om te vormen tot ‘een nieuwe gelukskunde’ (Wat filosofen weten: Over het verlangen naar geluk en de honger naar kennis. Nijmegen: Vantilt 2016).

Dat filosofen zich met andere filosofen bezig houden, is op zich prima. Maar hun ideeën moeten vooral opstapjes zijn naar de praktijk van zelf nadenken. Het zijn ladders die, zoals Wittgenstein al schreef, moeten worden weggeworpen als je de overkant bereikt hebt. Of om het op zijn boeddhistisch te zeggen: zodra je de boeddha tegenkomt, moet je hem doden. De ideeën van andere filosofen zijn middelen, op het moment dat ze zelf tot doel worden, gaat er wat mis.

Toch gloort er hoop. De afgelopen tijd heb ik een aantal recent verschenen boeken gelezen van een nieuwe generatie filosofen die een ander geluid laat horen.

 

I

Neem bijvoorbeeld het boek Onszelf voorbij: Kijken naar wat we liever niet zien van Lisa Doeland, Naomi Jacobs en Elize de Mul dat recentelijk verscheen (Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers 2018). Een boek van drie vrouwelijke filosofen waar we naar ik hoop in de toekomst nog veel van gaan horen. Nee, goddank produceren ze geen gelukskunde en ook houden ze zich ver van het platte School of Life geneuzel. Nee, wat ze doen is nadenken, waarbij de alledaagse werkelijkheid het uitgangspunt is, maar waarbij ze vervolgens de ideeën van andere filosofen gebruiken als schepjes om de diepte in te gaan – schepjes die overigens net zo gauw weer aan kant worden gegooid als ze het weer zelf met hun blote handen aankunnen.

Drie auteurs, drie essays. Naomi Jacobs begint haar essay met de ergernis over een spreuk op een labeltje van een theezakje: ‘De mens die zijn ware zelf herkent, begrijpt alles’. Ze beschrijft haar ergernis over zo’n grote bewering op zo’n klein labeltje. Vervolgens gaat ze verder in op de menselijke behoefte aan zekerheid, die blijkbaar erg groot is zodat we ons zelfs overgeven aan praktijken als astrologie en mindfulness. We hebben behoefte aan zekerheid, we snakken naar veilige bubbels. Daarbij schroomt Jacobs niet om tamelijk moraliserend uit de hoek te komen, want:

het wordt problematisch wanneer we ons blind gaan staren op die persoonlijke lifestylekeuzes en het plaatsvervangende doelstellingen worden om onze onzekerheid over de toekomst mee te bedwingen. Wanneer we niet langer inzien dat we met simpele lifestylekeuzes alleen de maatschappelijke problemen van onze tijd niet kunnen oplossen. Wanneer we werkelijk beginnen te geloven dat we in onze zelfgecreëerde bubbels onzekerheid buiten kunnen houden. Want dan varen we op schíjncontrole. (p. 31)

Jacobs haakt uiteindelijk aan bij Kierkegaards analyse van angst om uiteindelijk uit te komen bij een ver van gemakzuchtig pleidooi voor hoop als de ‘omarming van het onbekende en het onkenbare, (…) een alternatief voor de schijnzekerheid van zowel optimisme als pessimisme’ (51). Omarming betekent voor Jacobs dat je je durft open stellen voor het onbekende. Maar terwijl Jacobs daar haar betoog eindigt, begint het voor mij daar pas écht. Want mijns inziens zit daar precies het probleem van de huidige mens, dat ze niet langer dúrven zich open te stellen, dat we niet meer dúrven vertrouwen. Die vertrouwenscrisis in onze samenleving is m.i. het centrale punt, Jacobs raakt daar aan met de waardevolle dingen die ze schrijft, maar ze had wat mij betreft nog verder mogen gaan – en niet alléén omdat ze fantastisch kan schrijven, want dat kan ze zeker!

 

II

Dat laatste – het beheersen van de schrijfkunst – geldt ook voor Elize de Mul in haar essay over onze selfie-cultuur. Net zoals selfies fragmenten zijn die ons bestaan lijken te fragmentariseren in blokjes tijd en ruimte – toen en daar – zo is ook De Muls essay fragmentarischer en minder lineair van karakter dan dat van Jacobs. De Mul stelt vragen die bij nader inzien weer nieuwe vragen oproepen. En zij volgt in haar betoog die vragen. Onze telefoons worden archieven waarin we stukjes van de wereld en van ons eigen bestaan hebben gevangen – maar wat is daarvan de essentie? Waarom doen we dat?

Wat zijn we eigenlijk aan het doen als we onze wereld en vooral ook onszelf door de lenzen van onze smartphones proberen te vangen? De verklaring van narcisme is De Mul te makkelijk. Ze erkent wel een kern van waarheid, maar er gebeurt iets anders. Narcissus werd immers niet zozeer verliefd op zichzelf, maar vooral op zichzelf als een ander. En daar zit voor De Mul de crux: de objectivering die plaatsvindt wanneer we selfies maken. Het gaat over technologische bemiddeling, over decentrering en recentrering – uiteindelijk komt ze uit bij de ‘excentrische positionaliteit’ die Plessner in zijn wijsgerige antropologie ontwikkelde en die de crux is van de mythe van Narcissus, namelijk het vermogen van de mens om zichzelf te objectiveren, als het ware van een afstand te bekijken. Klinkt ingewikkeld? Nee hoor, De Mul neemt de lezer bij de hand, ze beschrijft, gebruikt talloze voorbeelden, ze laat je meezoeken op haar zoektocht naar een antwoord, maar ze laat je niet verdwalen.

De tekst van Lisa Doeland is de langste van het boek, bijna net zo lang als de twee essays van Jacobs en De Mul samen. Dat maakt het boek als geheel, toegegeven, wat onevenwichtig. Ook zij begint bij het alledaagse: bij de interessante vraag wat afval tot afval maakt. Wat maakt een papiertje ineens tot ‘oud papier’? Wanneer is een gebruiksvoorwerp ineens vuilnis? Met Timothy Morton – die een prominente rol in haar denken inneemt – stelt ze dat afval een eigenaardige eigenschap heeft, namelijk de macht om te spoken: ‘Wat we weggooien keert steeds terug omdat er geen “weg” is. Wat we in de prullenbak stoppen of door de wc spoelen, verdwijnt niet naar een andere wereld. (…) We raken steeds dieper doordrongen van het besef dat wat wij wegspoelen niet verdwijnt, maar rond blijft spoken’ (115).

Ze beschrijft fraai de ambiguïteit van afval, de manier waarop afval een steeds grotere rol opeist in ons denken over onze omgang met de wereld. Zoals gezegd, het denken van Timothy Morton komt regelmatig in haar essay terug. En dat is plezierig, omdat Morton een bijzonder interessante maar ook erg moeilijke denker is – ik heb recentelijk de twee in het Nederlands vertaalde boeken van zijn hand voor het Nederlands Dagblad gerecenseerd (die recensie moet op het moment dat deze bespreking online verschijnt nog in de krant verschijnen). Doeland vertaalt het abstracte denken van Morton in concrete ideeën door er begrijpelijke voorbeelden aan te koppelen. Uiteindelijk komt ze uit bij een pleidooi om ‘nóg ecologischer’ te gaan denken en ons hart open te stellen voor niet-levende materie, óók voor datgene wat we liever niet zien, dus ons afval: ‘Laten we dat afvalofilie noemen’ (181). Helaas vult ze dat idee niet verder in.

 

III

Wat me allereerst opviel aan de drie essays is dat ze vrijwel unaniem en rücksichtslos gaan over zingevingsvragen. Omgang met existentiële onzekerheid, selfies als een bepaalde zingevende omgang met de werkelijkheid (en ook met het idee van de eigen eindigheid), en onze omgang met afval als een spiegel om onze eigen vergankelijkheid onder ogen te komen – deze drie jonge filosofen deinzen er niet voor terug om grote zingevingskwesties te koppelen aan tamelijk concrete en alledaagse fenomenen. Daarbij wordt het nergens echt zwaar, de drie essays zijn luchtig en nuchter geschreven en zelf met ironie en milde humor en zelfspot, ja filosofie kan echt leuk zijn! Toch grijpen ze je bij de lurven. Als je er gevoelig voor bent – en ik ben dat zeker – kan dit boek je nog dagenlang blijven bespoken. Deze denkers laten je anders naar de wereld kijken, en precies dat is wat in mijn ogen één van de kerntaken is van de filosofie. En ze doen dat beter dan menig droge tekst van een hoogleraar aan een van de talrijke universiteiten die ons land rijk is.

Bovendien laten deze filosofen zien hoe je op uiterst vruchtbare wijze met de filosofische traditie kunt omgaan, namelijk als een fundgrube van inzichten zonder dat je bepaalde filosofen meteen tot heiligen verklaart. Zoals gezegd, Jacobs ontleent ideeën aan Kierkegaard, De Mul aan Plessner, en Doeland aan Morton (en, toegegeven, de drie denkers citeren nog talloze andere denkers). Wat ik knap vond was dat ze de ideeën van deze denkers weer beschreven als frisse, nieuwe ideeën, zodat ik door hun analyses weer zin kreeg om deze ‘oude’ filosofen zelf te gaan lezen. Ik heb dan ook daadwerkelijk Plessner weer eens uit de kast getrokken en ben weer eens in zijn Die Stufen des Organischen und der Mensch gaan lezen, ik blijf het onbegrijpelijk vinden waarom dat boek nooit in het Nederlands vertaald is. Maar Jacobs, De Mul en Doeland blijven niet hangen in detailanalyses, maar gebruiken deze filosofen om zelf hun eigen denken te scherpen en ons anders naar de wereld te laten kijken. Dat alles maakt dit boek echt de moeite van het lezen waard.

Dat filosofie een ‘gelukskunde’ zou moeten zijn, zoals Thijssen betoogt, is flauwekul die wellicht vooral voortkomt uit nutsdenken dat managers eigen is en waar échte filosofen zich juist verre van zouden willen houden. Onszelf voorbij laat daarentegen zien hoe filosofie wél werkt, hoe je abstracte ideeën en de concrete, geleefde werkelijkheid kunt verbinden, namelijk door te laten zien hoe diep en rijk die werkelijkheid zélf en hoe wij mensen in staat zijn door louter zélf te denken, die werkelijkheid te laten oplichten als een bron van verwondering en ontzag.

Onszelf voorbij. Kijken naar wat we liever niet zien.

Lisa Doeland, Naomi Jacobs en Elize de Mul.

De Arbeiderspers, 2018. Paperback. 203 pp.

ISBN 9789029506779. € 18,50

 

%d bloggers like this: