Close

Interview met Eugen Drewermann

Eugen Drewermann
© BORIS SCHMALENBERGER

Het tijdschrift Volzin vroeg mij een tijd geleden om de beroemde Duitse theoloog Eugen Drewermann te interviewen. Vanwege corona was het niet mogelijk om even naar Duitsland te rijden, dus ging het interview telefonisch. Het werd een schitterend gesprek. De kennis die deze man paraat heeft, is fenomenaal. Ieder antwoord was een lezing an sich. Het afgedrukte interview is te vinden op de website van Volzin (betaalmuur), maar dat interview was uiteraard een hele kleine selectie van wat Drewermann gezegd had. Gezien de belangstelling voor het werk van Drewermann, heb ik hieronder het hele interview met Drewermann afgedrukt.


Stel iemand vraagt: Wie is Eugen Drewermann? Wat heeft hij voor ideeën? Hoe zou u uw eigen denken kenmerken? Wat zijn volgens u typische Drewermann-ideeën?

Sinds ik kind was heb ik voortdurend de nood van de mens voor ogen gehad, die voortkomt uit een diepe angst. Ik heb nooit kunnen geloven dat mensen iets fout doen omdat ze dat opzettelijk zo willen. Maar sinds mijn kindertijd, sinds de tijd van de bombardementen van 1943-1945, heb ik ook gezien dat mensen zich telkens weer tot de meest afschuwwekkende handelingen laten verleiden, omdat anderen hen daartoe bevelen, omdat ze uit angst menen ergens iets tegen te moeten doen, omdat ze onder minderwaardigheidsgevoelens lijden, of omdat ze het idee hebben dat ze door anderen onderdrukt worden. Dan worden ze agressief, gaan ze overcompenseren en andere mensen schade berokkenen.

En zo ben ik vanzelfsprekend zielzorger geworden, heb geprobeerd de boodschap van Jezus als een helende uit te leggen, en heb als middel daarvoor de psychoanalyse van Sigmund Freud gebruikt. Zo ben ik zielzorger en therapeut geworden en altijd gebleven. Daar komt bij dat ik over veel zaken filosofisch nadenk. Als wetenschappelijk hoofdthema probeer ik psychologie en theologie met elkaar in verbinding te brengen via een symbolische uitleg van de bijbelverhalen. God spreekt niet tot ons van buitenaf, via bepaalde feiten, maar hij spreekt in ons hart door middel van beelden, fantasievoorstellingen en in dromen. Ze bezweren onze angsten en laten ons onze noden zien. En als we ze vertrouwen kunnen ze ons helpen om tot onszelf te komen. 

Onlangs verscheen uw grote Marcus-commentaar in een Nederlandse vertaling. In overleg met u is de titel van deze vertaling Wegen naar menselijkheid gekozen. Wat wilde u met deze titel benadrukken?

De Duitse titel luidt Beelden van verlossing. Iedereen weet dat wat hij ziet een veel sterkere betekenis heeft dan wat hem door iemand, door een of andere autoriteit, in woorden wordt meegedeeld. Woorden zijn bovendien te intensief wat betreft gevoelens die ze kunnen oproepen. Hoe meer woorden beeldend zijn, hoe meer ze op muziek gaan lijken.

Wegen naar menselijkheid heeft ermee te maken dat we ons gedragen naar de mate waarin we onszelf gevonden hebben. Plato had gelijk: iedere mens draagt een bepaald idee in zich mee, een innerlijke waarheid die hij gedurende zijn leven moet uitvogelen. Dat kan een mens alleen als hij iemand ontmoet die vanuit liefde meer in hem gelooft dan hij in zijn eentje gedurende zijn leven had kunnen leren. Wanneer men een mens liefheeft, lossen verwarring op, verhulling en vervreemding in het wezen van de ander. Iedere dag neem je een stuk meer van zijn of haar ware innerlijke schoonheid waar, van het eigenlijke zelf. Dat is de weg der menselijkheid die we zouden moeten gaan.

Door liefde kunnen we de angst voor anderen overwinnen, het gevoel niet goed genoeg te zijn, de innerlijke aanpassingsdwang aan uiterlijke normen. En als we meer we in de waarheid van anderen geloven, die versterken en levend maken, dan gaan we op de weg van Jezus op de weg waarvoor God ons volgens de Bijbel geschapen heeft: terug naar het paradijs. De man van Nazareth neemt ons aan de hand mee terug naar de boom die in het midden van de Tuin uit Genesis staat en die zijn takken uitspreidt over een wereld vol vertrouwen en geborgenheid. Dat is een leerweg en het is een moeilijke weg. Vandaar al die verhalen over hoe Jezus zieken heelt, in discussie gaat met tegenstanders en aanklagers.

Het Marcusevangelie heeft men vaak een lijdensgeschiedenis genoemd met een relatief korte vertelling die eraan voorafgaat. Heel het evangelie is betrokken op de vraag naar zijn of niet te zijn. Als we alleen maar bang zijn dat ons iets kan overkomen, dan houden we meteen op de waarheid te leven die in ons ligt. Dan passen we ons aan, vluchten we, vluchten we ook voor onszelf, dan leven we niet meer op de juiste manier, maar passen we ons aan uit louter overlevingsdrang. Daar gaat het hele Marcusevangelie zoals ik dat begrijp lijnrecht tegenin. Ik ben blij dat mijn boek nu ook voor Nederlanders verkrijgbaar is.

Maar eindigt die weg ooit?

Eigenlijk niet. We lopen slechts een paar decennia op deze aardbol rond. En aan het einde worden we ons ervan bewust hoezeer we eigenlijk onder het niveau gebleven zijn waarop we eigenlijk hadden moeten leven. Er waren mensen die ons nodig hadden, maar wij hadden geen tijd, geen geduld, geen geld of gewoon geen zin. Achteraf hebben we daar spijt van. We verbijten ons om de kans die we hadden en die we ook de ander hadden kunnen geven. We weten niet eens wat voor schade we hebben aangericht met het feit dat we niet geweest zijn waar we hadden moeten zijn, dat we voor de ander gefaald hebben. We kunnen hooguit iedere avond tot God bidden om de gaten te vullen die wij hebben achtergelaten. En we weten ook dat het morgen precies weer zo verder zal gaan. Daarom lukt het ons alleen om van vandaag naar morgen te komen door te vertrouwen in vergeving, een heel centrale boodschap van Jezus. We reiken ernaar, we leren steeds bij.

Maar het is niet afgelopen als we deze aarde verlaten, integendeel. Pasen betekent dat de hemel zich voor ons opent. En onder de ogen van de goddelijke Macht die wil dat wij zijn, in de kracht van de liefde waaraan we te danken hebben dat we er überhaupt zijn, verdwijnen alle scheidingswanden die we tussen elkaar hebben opgeworpen: het onderscheid tussen goeden en kwaden en tussen gelovigen en ketters. Daar rijpen we op elkaar toe, door een liefde die we hier op aarde in alle gebrokenheid slechts even kunnen proeven. Daar vinden we elkaar helemaal terug, gemeenschappelijk, onder de ogen van God. Zo stel ik me de hemel voor.

In de psychotherapie is dat dezelfde rijping uit inzicht, uit ervaring, uit betere kennis van de verschillende krachten van de eigen ziel. Opdat we de ander beter verstaan en daarover kunnen praten. We nemen elkaar bij de hand en lopen met Jezus over het meer, terwijl de wind de golven rondom ons doet opspatten en ons angst aanblazen wil. Maar als we vertrouwen hebben draagt het water ons naar de overkant.

U hebt ooit in een interview gezegd: ‘Ik heb God niet nodig om de wereld te verklaren, maar wel om de wereld te verdragen’. Wat wilde u daarmee zeggen? Wie of wat is voor u ‘God’?

Dat is een heel belangrijk punt. In onze samenleving kunnen veel mensen amper nog iets met het woord ‘God’. Het is gebruikt om misbruik te legitimeren, om heilige oorlogen te voeren, men bidt om de overwinning van de eigen troepen waar oorlog heerst, de naam van God wordt misbruikt als hij wordt aangeroepen om wonderen tot stand te brengen. Dat alles is zo teleurstellend en verward zodat velen amper nog aan zo’n God kunnen geloven. En dan zijn daar ook nog eens de natuurwetenschappen die beweren de zaken zonder God beter te kunnen verklaren, met behulp van natuur- en wiskunde. Dat krijgen de kinderen op school te horen en dat zien we door de steeds snellere voortgang van de techniek: God hebben we niet meer nodig om de wereld te schragen, we zien God niet wanneer we door de telescoop van de natuurwetenschappen kijken.

En toch. In al die verklaringen komt geen enkel antwoord voor op de vragen die wij als mensen hebben. We merken plotseling hoe eenzaam we zijn in de natuur. De natuurkunde heeft geen enkele band met gevoelens als medelijden en respect, goedheid, omzien naar elkaar. In de natuur zoals wij die waarnemen komen dat soort fenomenen helemaal niet voor. In 2004 zaaide een natuurramp, een tsunami dood en verderf, uitgerekend tijdens de Kerstdagen. Het was een minieme beweging net onder het aardoppervlak die gigantisch veel slachtoffers maakte aan de oppervlakte. De natuur heeft ons dus niet nodig.

We hebben derhalve een vertrouwen nodig dat niet uit de natuur voortkomt, maar uit alles wat ons menselijk maakt. We moeten datgene wat we niet in de natuur vinden maar wel in de mensen in de natuur binnenbrengen. Zaken als liefde, redelijkheid, wijsheid, geduld, allemaal begrippen die de natuur vreemd zijn maar die wij als absoluut nemen. Dan hebben we ongeveer een voorstelling van wat wij met ‘God’ bedoelen.

We bedoelen daarmee een liefde die het fundament is van wat wij als mensen zijn. In de natuur zijn wij mensen niet meer dan een levensvorm die door uitwisseling van energie ontstaat en na een korte tijd weer terug wordt opgenomen in de kringloopprocessen van de natuur. Dat geldt voor ieder individu maar ook voor ons als soort. Mensen splitsten zich miljoenen jaren geleden van de chimpansees af, maar sommige wetenschappers geloven dat wij mensen over enkele miljoenen jaren al lang niet meer bestaan. Deze aarde kan sowieso nog slechts een paar miljard jaar leven dragen voordat onze ster, de zon, aan het einde van haar leven is. Dat denken natuurwetenschappers allemaal te weten.

Wij mensen hebben in deze natuur helemaal geen grotere betekenis dan iets dat toevallig is ontstaan en dat zonder grote consequenties uiteindelijk weer met de rest versmolten kan worden. Om met dit soort causale samenhangen om te gaan hebben we een heel andere manier van zingeving nodig die alleen kan voortkomen uit liefde. Alleen uit liefde kan iemand zeggen: ‘Jij moet er zijn, niet vanwege natuurwetten, maar men zou jou moeten uitvinden als je niet zou bestaan!’ In het oneindige verlengde daarvan snappen we wat we met ‘God’ bedoelen. Als we naar de natuur kijken, ben jij overbodig, je bent helemaal niet nodig, maar ik wil dat jij bent en voor mij ben jij noodzakelijk. Met jou ga ik door dik en dun, wat er ook gebeurt. Ik zal bij je blijven, voor mij heb jij een waarde die je nooit kunt verliezen. Op basis hiervan kan iemand leren welke waarde er in zijn of haar binnenste is en leert iemand met mensen om te gaan.

U hebt ook geschreven dat de theologie vandaag de dag niet langer voorbij mag gaan aan de vraag naar de oorsprong van de mens. En dus moet de theologie een interdisciplinair gesprek aangaan met bijvoorbeeld antropologie, biologie, neurologie en kosmologie. U hebt dikke boeken over deze onderwerpen geschreven en bent uitgebreid met deze dialoog aan de slag gegaan. Maar welke inzichten kunnen deze disciplines aan de theologie bieden? Waarom zou de theologie zich hier überhaupt mee bezig moeten houden? Wat heeft de theologie daarbij te winnen?

De theologie kan zichzelf er beter door leren verstaan. Als we terugkijken naar de twintigste eeuw kunnen we constateren dat we toen eigenlijk amper wisten in wat voor wereld we eigenlijk leven. Neem iemand als Albert Einstein. In 1915 publiceerde hij zijn relativiteitstheorie. Maar hij voegt daarin een factor toe die de wereld zoals hij die kende bij elkaar moest houden. Einstein weet dat het heelal niet statisch kan zijn als de zwaartekracht bestaat. Óf het heelal dijt uit, óf het stort uiteindelijk ineen, maar het kan niet blijven zoals het is. En dus voegt hij een factor in waardoor het heelal statisch en eeuwig blijft. In 1915 kende men alleen ons eigen sterrenstelsel, men had er geen idee van dat er nog andere sterrenstelsels zouden bestaan. Kant had al in 1765 het vermoeden geuit dat de nevels die we door telescopen waarnemen kosmische eilanden zouden kunnen zijn, maar dat kon men toen niet bewijzen. Pas Edwin Hubble deed dat in de twintigste eeuw. En dan is er nog de oerknal, waarvan men lang geloofd heeft dat dit hét bewijs was voor de scheppingsmacht van God. Geen enkele natuurkundige vandaag de dag gelooft dat nog.

Je kunt vandaag geen natuurkunde bedrijven wanneer je van mening bent dat je voor een verklaring God nodig hebt. Theologisch heeft dat er ook mee te maken dat men God met vrijheid verbindt en niet met natuurlijke oorzakelijkheid. Als iemand stelt dat er ergens een fenomeen is dat alleen verklaard kan worden doordat het door iemand in vrijheid gewild is, is zo iemand geen natuurkundige of wiskundige, hij is eigenlijk helemaal geen natuurwetenschapper. Toch hebben de theologen wel voortdurend zo geargumenteerd en daardoor hun uitleggingen en zinduidingen met natuurkundige oorzakelijke verklaringen verward. En dat is dan ook de oorzaak van het hedendaagse atheïsme.

Men weet gewoon niet meer waarover gesproken wordt als men het over ‘God’ heeft. Ik heb dat als schooljongetje nog meegemaakt toen het ging over het ontstaan van leven. Rond 1950 kon men zich geen voorstelling maken hoe uit anorganische materie leven zou kunnen ontstaan. Dat was zelfs een kwestie tussen Oost- en West-Duitsland: óf leven ontstaat uit dode materie, zoals het communistische materialisme zei, óf leven ontstaat door een scheppingshandeling van God, zoals men in West-Duitsland meende. In 1953 vaardigde paus Pius een leerstelling uit die weliswaar erkende dat het menselijk lichaam uit het dierenrijk ontstaan was, maar de menselijke ziel was dat geenszins. De psychoanalyse werd bestreden omdat die zich baseerde op het idee dat onze psyche de eeuwenoude sporen van een evolutie uit het dierenrijk met zich meedraagt.

Kortom: vanuit onze hedendaagse wetenschappelijke inzichten hebben we een veel dieper begrip van de mens gekregen én we kunnen het spreken over God bevrijden van een aantal overgeleverde misvattingen. We hebben dus de natuurwetenschappen nodig om het godsgeloof van valse verwachtingen te verlossen, van valse verklaringen, om ons te concentreren op de echte boodschap van Jezus.

In het Nieuwe Testament vinden we slechts weinig informatie over de natuur, behalve dat er soms prachtige beelden gebruikt worden die aanwijzingen bevatten voor een juiste levenswijze. Kijk naar de vogels van hemel, kijk naar de leliën des velds. Jezus wil dat we ons van alle ijdelheid bevrijden, van arbitraire vragen als welke kleren we zullen aantrekken, wat we moeten eten, wat we morgen zullen gaan doen. En dan wijst Jezus op de lelie in het veld, die mooier is dan de gewaden van koning Salomo. Zo simpel is het. Let ook eens naar de vreugde van de dieren, juist nu de lente aanbreekt: als we met andere ogen naar de natuur kijken en haar zien als het prentenboek van God, dan zien we haar religieus gesproken op de juiste wijze. En daarbij kunnen ons de natuurwetenschappen helpen, juist omdat ze niet beschikken over die lyrische, poëtische manier van spreken en denken over de wereld.

Goethe heeft ooit gezegd dat een natuurwetenschapper eigenlijk alleen een pantheïst kan zijn, die de hele wereld voor goddelijk houdt. Een dichter kan niet anders dan een polytheïst zijn, die zoveel verschillende goddelijke dingen ziet die hem fascineren. Maar vanuit menselijk, moreel perspectief kan men alleen maar monotheïst zijn. Dan gaat het erom dat men zich het beeld van een persoon voorstelt, dat men de eigen vrijheid ontdekt, daarbij verantwoordelijkheid neemt, en dat we onszelf uiteindelijk verliezen in een goede gemeenschappelijkheid die alle scheidingswanden tussen mensen opheft. 

Maar als we voor een morele menselijkheid God nodig hebben, wordt godsgeloof dan geen projectie, zoals Freud dacht?

Freud heeft iets heel belangrijks gedaan. Hij wilde als natuurwetenschapper dat we ermee zouden stoppen God te verenigen met angstvoorstellingen. Freud meende dat religie geworteld was in de angst van kinderen voor de gewelddadige macht van de vader. Religie leerde gehoorzaam te zijn, leerde de mens angst voor straf bij de overtreding van geboden. Men vreesde autoriteit en verinnerlijkte die zelfs in het eigen geweten. Freud zag de absolute vadergestalte vooral terug in de katholieke kerk van zijn tijd. Die verbiedt alleen maar, wil niet dat mensen zich tot vrije individuen ontwikkelen, wil niet dat mensen zich verliezen in de lijfelijke versmelting met de ander. Een zeer repressieve, autoritaire, dwangmatige macht. En Freud meende dat we daarvan af moeten zodat de mens van morgen gelukkiger kan worden. Dat was het hart van zijn religiekritiek en ik geef hem op ieder punt gelijk.

Ik heb lange tijd niet kunnen geloven hoezeer Freud gelijk had. Maar ik kwam iedere keer weer mensen tegen die vertelden hoe ze vanuit de religie van hun kindertijd door angst gebonden zijn. Vandaag gaat het erom dat we aan de hand van Jezus leren zo in God te geloven dat men van al deze manieren waarop mensen elkaar vastleggen, elkaar tot slaaf maken, bevrijd wordt.

Er staat in het 23ste hoofdstuk van Matteüs een prachtige passage waarin Jezus tot zijn volgelingen zegt: ‘Laat niemand jullie vader noemen. Slechts één is jullie vader, namelijk die in de hemel is’. Dat vers luidt het einde in van het partriarchaat, het einde van de heerschappij van de ene mens over de andere waarbij men zich soms ook nog op God beroept, of ze zich paus noemen, dictator, of keizer. Het vertrouwen op God bevrijdt ons ervan ons aan andere mensen te onderwerpen. Maar dan hebben we de persoon van Jezus nodig, niet als projectiegestalte van onze angst, maar juist integendeel: als hulp daarvan vrij te worden. Alleen in vertrouwen kunnen we volwassen worden, de kinderlijke angsten achter ons laten, eigen verantwoordelijkheid aannemen en uitzoeken wie we zelf zijn.

Het lijden van schepselen staat in het centrum van uw denken. Niet alleen het lijden van mensen, maar ook het lijden van dieren. Kunt u vertellen hoe het is gekomen dat het lijden van dieren zo in het centrum van uw denken is komen te staan? Hebben dieren een relatie tot God? En ziet u vandaag ook een opdracht voor de theologie om zich meer dan ooit tevoren met de verhouding tot de dieren en de klimaatverandering bezig te houden?

Ik constateer dat veel theologie de bijbelteksten niet in hun diepste betekenis in haar leer heeft opgenomen. We lezen in het tweede hoofdstuk van Genesis een tweede scheppingsverhaal dat zich nogal onderscheidt van het eerste. In het eerste scheppingsverhaal wordt gezegd dat de mens moet heersen over de dieren. En dat doen we. Maar in het tweede scheppingsverhaal staat iets heel anders. Daar staat dat de mens in het paradijs alles wat hem omgeeft moet ‘bedienen’ en ‘bewaren’. Zo vertaal ik de Hebreeuwse woorden die er staan. Men vertaalt het graag als ‘bewerken’, maar dat is niet juist. Het gaat niet gebruiken, uitbuiten, benutten, kapitaal eruit puren. Integendeel, in de paradijsvertelling worden de dieren door God geschapen omdat de mens eenzaam is. Het is niet goed dat de mens alleen om zichzelf draait, alleen met zichzelf te maken heeft. En God brengt de dieren bij de mens zodat die hun namen kan geven. Ook daarbij hebben theologen vaak gemeend dat het om een vorm van heerschappijdenken gaat, zoals men een chemisch element een naam geeft om ermee om te gaan wanneer men het gebruikt in formules, etcetera. Zo kan men over het element heersen. Maar het is in de Bijbel heel anders bedoeld.

In mijn proefschrift heb ik laten zien hoe in de mythen en sprookjes van verschillende volken de dieren tot de mens spreken. De dieren spreken met de mensen en de mensen spreken met de dieren. En dan komt Plato weer om de hoek kijken: noemen we de dingen zo opdat ze zo zijn, of benoemen we dingen omdat we hun wezen vernemen en dat tot taal verheffen? Is het willekeurig hoe we de dingen noemen en begrippen vormen, of richt onze taal zich tot wat wij aantreffen? Het geven van een naam aan een dier is voor mij zoveel als het herkennen van het feit van hun muzikaliteit, die we horen, het is een vorm van poëzie.

In onze dromen komen dieren steeds weer voor, zo diep is onze ziel met dieren verbonden. Onze psyche heeft een eeuwenoude geschiedenis in het dierenrijk, lang voordat wij als mensen de ogen opsloegen en onszelf ontdekten. De theologen zouden er voor moeten waarschuwen hoe we onze techniek en ons technische weten in de natuur naar binnen wringen. We roeien de oerbossen uit, we vernietigen de complexiteit van ecosystemen, we overbevissen de Noordzee. We zijn niet in evenwicht met de natuur. De theologie zou moeten zeggen: ‘in Gods naam moeten we acht geven op de schepselen die zich aan onze zijde bevinden!’

Bovendien moeten we ons zonder enige terughoudendheid inzetten voor de gevoelens van dieren. In de twintigste eeuw was lange tijd het behaviorisme in de psychologie toonaangevend. Het ontkende dat dieren gevoelens hadden, het waren mechanismen, apparaten. De vraag of dieren gevoelens hadden was niet zinvol, werd onwetenschappelijk gevonden. We zien alleen bepaalde manieren van bewegen die we empirisch kunnen observeren. Vandaag hebben we computers en robots die dezelfde bewegingen kunnen uitvoeren, waarbij we gevoelens helemaal niet nodig hebben en die we kunnen gebruiken zoals we willen.

De gruwel dat we gevoelens negeren omdat ze alleen bij dieren voorkomen is hetzelfde als wanneer we de gevoelens in onze eigen ziel amputeren. Die zijn dan vervolgens ook afwezig in de verhouding tot elkaar. En dan kom je uit bij 6 augustus 1945: we sturen de Enola Gay naar Hiroshima en in luttele seconden sterven meer dan 100.000 mensen. Dat is alleen mogelijk als men geen enkel gevoel meer toelaat. Als je die gevoelens wel zou toelaten, als je met je eigen ogen zou zien wat je daar teweeg brengt, zou je die handeling niet kunnen uitvoeren, dat zou gewoonweg onmogelijk zijn. We kunnen soldaten trainen zodat ze hun gevoelens uitschakelen en bevelen opvolgen zonder vragen te stellen om over lijken te kunnen gaan. Dat doen we bij mensen.

Wat dieren betreft hebben we onszelf aangepraat dat we ze kunnen gebruiken zoals we willen, dat hun gevoelens ons totaal niet interesseren. In de bio-industrie moeten we zo wel denken, we moeten ze wel kwellen, want alleen zo krijgen we met Pasen onze heerlijke gerechten op tafel, zoals de eieren uit de legbatterijen en de ganzenlevertjes. Alleen zo kunnen we de prijzen laag houden, in alle landen het grootste argument voor de bio-industrie. Het enige tegenargument tegen deze dierkwelling is meevoelen met dieren. Dieren hebben gevoelens net als wij, zelfs nog meer. Als mensen kunnen we ons door ons intellect voor een groot deel van onze gevoelens distantiëren. Wij hebben tandpijn, zo erg dat we er niet van kunnen slapen. Maar dan zeggen we: ‘morgen om negen uur ben ik bij de tandarts en dan is het voorbij’. Of je neemt een pijnstiller. Dieren kunnen dat alles niet. Ze zijn op dat moment volledig hun pijn. Iets ernaast of erboven bestaat voor hen niet. Mogen we levende wezens die alleen pijn of vreugde zijn aandoen dat wij mensen volstrekt willekeurig bepalen wát ze mogen voelen? Ik zie geen enkel ethische rechtvaardiging die ons dat toestaat.

Ik heb dat al sinds mijn kindertijd: ik wil wat leeft beschermen, liefst met rust laten, strelen, laten groeien, er vreugde aan beleven. Ik heb nooit begrepen wat er goed is aan het slachten van een varken. Als kind snapte ik natuurlijk dat dit gewoon gebeurt, maar echt begrepen heb ik het nooit. Ik kreeg dan ook grote problemen met de theologen. Die wilden mij ervan overtuigen dat God de hele scheppingsordening louter op de mens heeft toegespitst. Een docent dogmatiek zei ooit: ‘het konijn kan niets beters overkomen dan op het bord van een mens te belanden’. Hilariteit alom, iedereen vond het reuzegrappig. Maar deze theoloog had van dieren, van de paradijsvertellingen zoals ze in de Bijbel staan en van Gods wil geen enkel benul. Ik heb mijn leven in dienst gesteld om hem te weerspreken, als theoloog, als mens en als voelend schepsel. Het mag niet goed zijn.

Overigens hanteer ik dezelfde logica om me te verzetten tegen oorlog. Het is een gruwel dat we achttienjarigen leren om hun gevoelens uit te zetten en te doden met de meest efficiënte wapens. Ooit waren we primitief, vervolgens werden we geciviliseerd, en nu zijn we met  onze efficiënte wapens erger dan de mensen uit het stenen tijdperk waren. We zouden pas echt mensen zijn als we gevoel en denken, emotionaliteit en rationaliteit, samen zouden weten te brengen. We moeten beide ontwikkelen: gevoel én denken. Niemand zou iets moeten leren wat voor het gevoel niets betekent, en wat ze voelen zou zich moeten rechtvaardigen voor een vorm van redelijkheid. Als beide niet hand in hand gaan, gaat er iets mis.

Sommige klimaatwetenschappers en biologen hebben wel gezegd dat de mens een wandelende natuurramp is. En ze vragen zich hardop af of de wereld niet beter af zou zijn zonder de mens. Is een wereld zonder mensen eigenlijk niet beter? Waarom zouden we ons om het voortbestaan van de mensheid überhaupt bekommeren? Zijn daar theologische redenen voor?

De theologisch beste reden is dat we leren het beste in ons te ontwikkelen. We moeten ons ver verwijderen van het uitbuitingsdenken: de wereld is van ons en we doen met haar wat we willen. Dat is theologisch en religieus volkomen verkeerd omdat het zich baseert op een bepaalde manier van economisch denken waarbij waarde alleen tot stand komt door menselijke arbeid. De natuur kan voortbrengen wat ze wil, maar het is waardeloos. De Amazone mag de bron zijn van een levend ecosysteem, maar het is waardeloos. Pas als men er een stuwdam in een rivier plaatst, tot bron van drinkwater maakt, er goud vindt, bomen kapt om ze te vervangen door plantages, kortom pas wanneer we iets vernietigen door in te grijpen, pas dan krijgt het ineens waarde. Dat alles is zo onmenselijk gruwelijk, antropocentrisch, volstrekt verkeerd.

De waarde die intrinsiek in de natuur aanwezig is en ons als geschenk aanbiedt, mag toch niet door nuttigheidsdenken vanuit louter geldvermeerdering gefunctionaliseerd worden? Het is zonde voor de natuur, het is misbruik, en wanneer we denken dat we zo zouden moeten zijn en handelen, en ook zo willen blijven bij de gratie Gods, dan zijn we druk bezig onszelf helemaal af te schaffen.

Een dergelijk gevaar van zelfvervreemding treedt ook op bij andere vormen van digitale technologie, bijvoorbeeld transhumanisme, die zich bemoeien om dat wat ons tot mens maakt af te schaffen. We moeten het opnemen voor analoge vormen van menszijn, voordat we op een punt komen waarop de technologie alles wat ons tot mens maakt wegdoet als overbodige ballast.

In de geschiedenis van de aarde zijn er een stuk of vijf grote uitstervingsperioden geweest. Maar iedere catastrofe heeft altijd geleid tot nieuwe vormen van leven. Wij zijn daar ook een uitkomst van. Maar wat wij met onze technologie nu bewerkstelligen is een ramp waarna er letterlijk niets meer komt, behalve dan die vormen van kunstmatige technologie die wij in de plaats van het leven zetten. We moeten dus het kapitalisme van steeds méér en steeds verder, bestrijden. Kapitalisme houdt in dat men het systeem alleen in stand kan houden door vermeerdering, door groei. En we moeten nadenken over politieke manieren om de menselijke voortplanting binnen de perken te houden, zodat er op aarde nog ruimte voor dieren naast de mens overblijft.

Voor mij staat altijd de stelling van Albert Schweitzer voor ogen, die zei dat het fundament van de ethiek moet zijn: ik ben leven dat leven wil temidden van leven dat leven wil. En zo heb ik gedacht zodra ik kon denken.

Er zijn momenteel veel redenen om het christelijk geloof af te wijzen, zoals u in uw boeken ook aangeeft. Het woord ‘God’ is veelal verbonden met macht, geweld en onderdrukking. De kerk pretendeert de absolute waarheid te verkondigen, terwijl die lijnrecht tegen alle redelijkheid ingaat. En de moraal die de kerk predikt, legitimeert onderdrukking, uitbuiting, uitsluitingsdenken, enzovoort. Kan het christendom ons eigenlijk nog wel redden? Of moet het christendom door ons gered worden, zoals bijvoorbeeld ook John Caputo meent?

Wij moeten leven wat Jezus ons gezegd heeft, dan is alles wat de kerk zegt secundair. U hebt helemaal gelijk, in de geschiedenis is het christelijk geloof misvormd, met name de katholieke kerk met haar leer dat ze de voortlevende Christus is en dat we dus naar haar moeten luisteren om te begrijpen wat Jezus gezegd heeft. Daarom hecht ik ook zo aan de interpretatie van de evangeliën, zoals het Marcusevangelie. Jezus wordt bijvoorbeeld gevraagd wat je onder ‘groot’ moet verstaan als het over mensen gaat. Natuurlijk zijn we dan geneigd om te denken aan mensen die macht uitoefenen, aan een mens die de ander ontzag inboezemt, die geld verzamelt, rijk genoeg is, wie in het middelpunt staat. Dat is een groot mens. Toch? In de ogen van Jezus is dat volledig fout. Wie bij hem groot wil zijn, moet een dienaar van allen worden.

Dat is de wereld ondersteboven. De vraag is niet hoe groot ik ben, maar hoe diep iemand gevallen is die ik overeind moet helpen. Wat verbindt mij met iemand die mij nodig heeft? Die God die Jezus ons brengen wilde, zal iedereen geloven. Je voelt je alleen, je bent vertwijfeld, en je hebt iemand nodig die bereid is om te begrijpen, te praten, erbij te blijven. En dat vertrouwen dat we zelf meebrengen is iets dat we het allermeest met God verbinden. De God die Jezus ons kwam brengen is de verdichting van die ervaring: we zijn uiteindelijk niet alleen en we kunnen ook als we schuldig zijn vertrouwen op vergeving.

Ook als we helemaal alleen zijn, als er geen enkel mens meer is dat met ons mee wil gaan, dan nog zijn we niet alleen. Dat is religieus vertrouwen, dat blijft altijd bij ons. In zoverre is religie een uitdrukking van onze menselijkheid. Alleen die vervormingen, vervalsingen van theologie die drijven op macht, autoriteitsaanspraken, waarheidsclaims, vormen van fanatisme, op morele opvattingen die onderdrukkend zijn, die maken het ongeloof en de afkeer van geloof door grote delen van de bevolking begrijpelijk en noodzakelijk. Ik denk dat we de betrekkingen tot wat Jezus heeft willen zeggen weer terug moeten vinden voordat we überhaupt op zoiets als een kerk hopen of geloven kunnen.

Heb ik nog een laatste vraag voor u. U bent nu 80 jaar oud. Hebt u met uw levenservaring nog een boodschap voor jongere lezers?

Over veel zaken hebben we het al gehad. Laat je niet verdelen tussen denken en voelen, hou vast aan wat je in je ziel meeneemt aan visioenen, roeping, doelen, innerlijke motivatie, en vooral: blijf geloven in de liefde. Ze kan teleurgesteld worden, ze kan leed veroorzaken door misverstanden, door pogingen van anderen om de disharmonie tussen twee mensen die elkaar zoeken te verstoren. Vandaar dat ik me veel met sprookjes heb beziggehouden. Die vormen het enige genre van literatuur dat ons bezweert dat we moeten blijven geloven in de liefde, dat alleen de liefde in staat is om ons gelukkig te maken.


Vind je mijn blogs de moeite waard? Zo ja, zou je dan misschien een kleine bijdrage willen overwegen?

Mijn weblog bestaat al sinds 2005. Met veel plezier schrijf ik in mijn eigen tijd en op eigen kosten recensies en andere blogbijdragen. Echter, de kosten van o.a. webhosting lopen ieder jaar verder op. Ik zou graag frequenter content posten en denk er ook aan om andere initiatieven te ontwikkelen (bijvoorbeeld een podcast of meer interviews). Maar zonder financiële steun wordt het allemaal erg moeilijk.

Mocht je willen doneren, dan kan dat hier: https://tasmedes.nl/doneren/

Alvast ontzettend bedankt voor je steun!

– – Taede Smedes

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: