Gods huis in de steigers (boekbespreking)

Toen ik theologie studeerde en nog in mijn geboorteplaats Drachten woonde, hielp ik een tijdje mee met het inzamelen en sorteren van het oud papier ten behoeve van de Noorderkerk. Die kerk stond op de Stationsweg in Drachten. Het was een tamelijk lelijk gebouw, geef ik meteen toe. Maar toen bekend werd dat deze kerk op de nominatie stond om gesloopt te worden, liepen de gemoederen in de kerkgemeenschap hoog op. Er kwam stevig verzet. Maar het mocht niet baten. Toen de kerk gesloopt werd, hebben heel wat mensen uit woede of teleurstelling hun lidmaatschap van de gereformeerde kerk opgezegd.

Eigenlijk is zo’n reactie eigenaardig, constateert Oskar Verkaaik in het recent verschenen boek Gods huis in de steigers. Immers, gelovigen en ex-gelovigen ‘lijken vrijwel allemaal doordrenkt met het idee dat religie draait om het immateriële. Die gedachte volgend zijn gebouwen slechts een omhulsel van religie, maar raken ze niet aan het wezen daarvan’ (14). Maar hij en zijn collega’s Daan Beekers en Pooyan Tamimi Arab constateren dat de werkelijkheid weerbarstiger is: ‘als je ziet hoeveel energie, geld, verontwaardiging, vrije tijd, genegenheid, herinneringen, verdriet en trots er in kerken, moskeeën en synagogen wordt gestoken, dan vraag je je soms af of datgene wat de mensen je vertellen wel strookt met wat ze doen’ (14).

Kijk, dat maakt nieuwsgierig! En dat vonden de auteurs van dit boek ook, allen antropologen. Het heilige en het materiële blijken in de praktijk heel dicht bij elkaar te liggen, wat dus aanleiding geeft voor mooi antropologisch onderzoek. Uitgangspunt is dat ‘religieuze objecten en handelingen mediëren tussen het heilige en de ervaring daarvan. Zonder het materiële is het immateriële onkenbaar’ (16). Dit blijkt cruciaal wanneer het gaat om religieuze gebouwen: kerken, moskeeën en synagogen. Want: ‘gebouwen spelen niet alleen een rol in het oproepen van religieuze emoties en ervaringen, ze zeggen ook iets over hoe gelovigen zichzelf zien of waar zij naar streven of verlangen. Een gebouw is een visitekaartje, een uitdrukking van de gewilde religieuze identiteit’ (16). En dat laatste – de religieuze identiteit en wat daarbij komt spelen – staat centraal in dit boek.

Ik vond het een bijzonder boek. Eerlijk gezegd is dit zo’n boek dat ik in de boekhandel niet zou hebben gekocht. Ik dacht dat het me niet zou aanspreken, zo’n boek over kerkgebouwen. Maar toen ik begon met lezen, veranderde dat al gauw. Het is geen droog-academisch of antropologisch vertoog, maar het boek is een serie nauw samenhangende case-studies over hoe religieuze gebouwen en religieuze identiteit met elkaar verknoopt zijn en hoe dat tot uiting komt in discussies omtrent religieuze gebouwen. Praktijk en theorie lopen in de tekst heel mooi en uitgebalanceerd door elkaar.

Veel aandacht gaat daarbij uit naar de islam, omdat dit een godsdienst is die (terecht) probeert haar plaats in onze samenleving op te eisen. Wat ik een eye-opener van dit boek vond, is dat we vaak denken dat het bouwen van een moskee in Nederland wel flinke ophef zal geven bij de lokale bewoners. En inderdaad staat in één hoofdstuk de discussie over een te bouwen moskee in Almere centraal (waar de PVV een grote rol in speelt). Wat dit boek laat zien, is dat het met die ophef vaak wel meevalt, maar dat het bouwen van een moskee vooral intern een strijd kan zijn, dus een strijd van gelovigen onderling. De ene gelovige wil een kleine ‘poldermoskee’, de ander een ‘megamoskee’. De een wil juist af van de traditionele architectuur en wil de moderne kant op, terwijl de ander juist het exotische van de Arabische cultuur wil handhaven om toch iets van het oorspronkelijke vader- of moederland te blijven voelen. Al deze beslissingen omtrent de bouw van een moskee hebben te maken met hoe moslims zichzelf en hun plaats in de samenleving zien.  Het gaat dus om identiteit.

Datzelfde geldt ook voor synagogen. In Duitsland werden na de Tweede Wereldoorlog oude synagogen niet gerestaureerd, daar wilde men aan het verleden niet herinnerd worden. En dus werden er hypermoderne synagogen gebouwd, ook op plekken waar nauwelijks nog joden woonden. Men hoopte dat de joden uiteindelijk zouden terugkeren, wat in veel gevallen natuurlijk niet gebeurde, zodat uiteindelijk de synagoge een andere bestemming (als bijvoorbeeld een museum) kreeg. In Nederland daarentegen worden juist geen nieuwe synagogen gebouwd, maar oude synagogen opgeknapt. Er is dus een heel andere manier van omgaan met het verleden. En ook hier heeft één en ander weer te maken met hoe joden zichzelf zien maar ook hoe anderen (bijvoorbeeld christenen) naar joden kijken.

Voor christelijke kerken is in dit boek ietsje minder aandacht, en dat is geen negatief punt! Want de auteurs herhalen geen oude discussies over kerksluitingen, maar hebben nieuwe invalshoeken weten te vinden. Oskar Verkaaik schrijft over de Duitse moderniseringsdrang van kerken: kale, hypermoderne en zakelijke gebouwen die met opzet de gelovige een vervreemdend gevoel moeten geven. Daan Beekers schrijft over het sluiten en herbestemmen van kerken, waarbij, over de moeite die gelovigen hebben met herbestemming, maar ook van ongelovigen – wijkbewoners – die hun eigen gevoel bij een kerkgebouw blijken te hebben. Interessant is de strijd tussen gelovigen die hun kerk liever zouden slopen dan dat het gebouw een andere bestemming krijgt, en de ongelovige wijkbewoners die de kerk willen behouden vanwege het karakter en de atmosfeer van de wijk. Dat de kerk blijft voelen de gelovigen als een nederlaag! Toen ik dat las, begreep ik weliswaar op rationeel niveau de redenering, maar het voelt toch een beetje als een ‘tactiek van de verschroeide aarde’.

Het boek is erg goed geschreven. Ofschoon de auteurs academici zijn, lezen de verschillende hoofdstukken als uitgebreide reportages die ook zo in kwaliteitskranten afgedrukt hadden kunnen worden. Alleen het eerste en het allerlaatste hoofdstuk hebben wat meer diepgravende methodologische uitweidingen, de rest van het boek lezen als een kwalitatief hoogstaand non-fictieboek.

Ik ben blij dat ik dit boek heb gelezen. Niet alleen heb ik wat nieuwe interessante literatuur ontdekt waar ik me in wil gaan verdiepen, maar het boek heeft me echt een andere kijk gegeven op discussies omtrent religieuze gebouwen en religieuze identiteit. Het boek heeft me aangenaam verrast. Ik heb er echt nieuwe dingen uit geleerd (en weer nieuwe literatuur ontdekt), en ik moet zeggen dat ik dat ik dat gevoel slechts met weinig boeken heb. Wat ik ook heel tof vond, is dat de meeste foto’s in kleur zijn afgedrukt. Al met al een aanrader voor wie geïnteresseerd is in religie in de hedendaagse samenleving.

P.s. wie een voorproefje wil, het zevende hoofdstuk van het boek kan hier gratis gedownload worden: https://s3-eu-west-1.amazonaws.com/nieuwwij/app/uploads/2017/05/Hst-7-van-9789462982895.pinn_.pdf.

Gods huis in de steigers. Religieuze gebouwen in ontwikkeling.

Oskar Verkaaik, met bijdragen van Daan Beekers en Pooyan Tamimi Arab.

Amsterdam University Press, 2017. Paperback. 269 pp.

ISBN 9789462982895. € 19,99