Gerrit Manenschijn

In het recente boek Religie terug van even weggeweest: Maar waar is God? (Zoetermeer: Meinema 2008), vond ik de volgende treffende passage:

Wil de religiekritiek van het buitenperspectief hout snijden, dan moet er bij kritische buitenstaanders iets zijn van begrip voor het binnenperspectief van gelovigen. Als echter kritiek niet verder komt dan hoon en spot, dan zal zij op een gelovige die stevig in zijn schoenen staat geen enkele indruk maken. In een vorige publcatie heb ik de stelling verdedigd dat iemand die zich niet kan voorstellen wat het geloof voor een gelvoige betekent, tekortschiet in intellectueel voorstellingsvermogen [eat that, Dawkins!]. Dát tekort, dat is het probleem van deze tijd. In onze tot banaliteit vervallen cultuur, waar grofheid voor eerlijkheid doorgaat en hufterigheid voor authenticiteit, is intellectueel voorstellingsvermogen een schaars artikel geworden.

Dat geldt allereerst van een onbillijk buitenperspectief. Wie beledigt, levert een bewijs van intellectueel onvermogen; hij heeft geen argumenten. Het beste is er geen aandacht aan te besteden. Echter, dat intellectueel voorstellingsvermogen een schaars goed is, geldt ook voor een onbillijk binnenperspectief. Geloof dat geen kritiek verdraagt, sluit zich op in zichzelf en verliest het contact met de buitenwereld. Bínnen een geloofsgemeenschap wordt het geloof scherp gehouden door ketters, erbúiten door critici. (36)

2 thoughts on “Gerrit Manenschijn

  1. Ik hoop dat Maanenschijn zich realiseert dat hetzelfde dan geldt voor het besmuikt lachen om de UFO-community, bomenknuffelaars, schreeuwende mullahs en voor de veroordeling van de praktijk van vrouwenbesnijdenis.
    Je moet het eerst vanuit een binnenperspectief begrijpen…
    Maar ik geef toe: ik ben bevooroordeeld. Maanenschijn kan ik sinds diens boek ‘God is zo groot dat hij niet hoeft te bestaan’ niet meer serieus nemen: ik heb daarin vergeefs gezocht naar de argumentatie voor de stelling op de kaft.
    Op hem is dit citaat uit Freuds ‘Future of an Illusion’ van toepassing, als een doodsschrift:
    Where questions of religion are concerned, people are guilty of every possible sort of dishonesty and intellectual misdemeanour.
    Philosophers stretch the meaning of words until they retain scarcely anything of their original sense. They give the name of ‘God’ to some vague abstraction which they have created for themselves; having done so they can pose before all the world as deists, as believers in God, and they can even boast that they have recognized a higher, purer concept of God, notwithstanding that their God is now nothing more than an insubstantial shadow and no longer the mighty personality of religious doctrines.

Comments are closed.