Close

Erik Borgman, “Alle dingen nieuw”, deel 1 (boekrecensie)

Erik Borgman is een van de bekendste en populairste Nederlandse katholieke theologen van dit moment. Onlangs verscheen het eerste deel van wat zijn theologische magnum opus moet worden, een driedelig werk met als titel Alle dingen nieuw. De ondertitel stelt dat het gaat om ‘een theologische visie voor de 21ste eeuw’, de achterkant spreekt van ‘een nieuwe katholieke theologie’. Het heeft er alle schijn van dat het gaat om een grootse systematische theologie in drie delen.

Wie echter een systematische synthese van christelijke ideeën en dogma’s verwacht, komt bedrogen uit. Het boek is een wervelende chaos – wat Borgman zelf toegeeft. Ik verwacht dat dit boek uiteindelijk lezers zal verdelen in twee kampen: zij die mét Borgmans ideeën weglopen, en zij die ervóór weglopen. Na lezing van dit eerste deel, geef ik toe dat ik nog aarzel. Ik zie wel degelijk de charme van Borgmans schijnbaar chaotische stijl van presenteren en zijn wijdlopige formuleringen die een bijna poëtisch en tegelijkertijd zoekend karakter hebben. Borgman probeert woorden te vinden voor een mysterie dat het hart vormt van de christelijke traditie, maar waarvan de betekenis ons voortdurend ontglipt. Het poëtische karakter van Borgmans taal had de kracht van het boek kunnen zijn, mits hij theologie als poëzie had willen bedrijven. Maar hij wil meer, want gek genoeg ademt het hele boek ook de sfeer van een haast protestantse preek. Borgman heeft de lezer wat te zeggen, hij oreert en poneert, je hoort in iedere zin de donderende stem van Borgman galmen over de hoofden heen van die lezer die hij probeert te overtuigen – ja waarvan? Daar zit voor mij het springende punt. Het grote probleem is dat hij mij als lezer er niet van overtuigen kan dat hijzelf weet wat hij wil zeggen. Maar laat ik niet te snel gaan.

Het nu verschenen eerste deel omvat een inleiding en de invocatio (het aanroepen van God, een gebed). Het volgende deel zal creatio en redemptio behandelen, en het laatste deel de renovatio. In invocatio legt Borgman op zijn eigen manier uit wat hij onder de taak van theologie verstaat. Theologie is bij Borgman geen wetenschappelijke discipline (in de hedendaagse betekenis), maar gelovige reflectie, of in Borgmans eigen taal: ‘Theologie representeert op het niveau van het intellect de beweging die het geloof maakt op het niveau van het concreet geleefde leven. Zij laat zich denkend in met wat zij hoort en verstaat als Gods stem en doordenkt wat het betekent – zowel deze stem zoals hij wordt gehoord en verstaan, als het feit dat hij wordt gehoord en verstaan’ (57). Geloof is voor Borgman onder andere een vorm van loslaten, van ‘lassons-le faire, als openheid om te ontvangen wat gebeurt en wat zal gebeuren, omdat daarin het “rijk van het onmogelijke” nabij is’ (161).

Theologie is dan ‘intellectueel uitzien naar wat zich dan aandient, als reflectieve overgave aan waar het heenvoert en als denkend onderzoek naar wat dit betekent en impliceert. Op deze manier is theologie zelf een vorm van ontvangen en van gehoorzaamheid’ (161-162). Theologie is dus, in de dominicaanse traditie waar Borgman zich toe rekent, ‘zelf een vorm van eredienst’ (193). Deze opvatting van theologie als een reflectief moment van geloof als een vorm van eredienst zal vandaag de dag door geen enkele raad van bestuur van staatsuniversiteiten onderschreven worden, want het impliceert een volledig gesloten discours dat alleen toegankelijk is voor gelovigen. Maar op meerdere plekken in het boek geeft Borgman aan dat hij niet maalt om wat anderen ervan denken – anderen die gestempeld zijn door de denkvormen van ‘de moderniteit’ waar Borgman niet veel van moet hebben.

Voor Borgman staat de waarheid centraal en die moet worden uitgesproken. En de taal waarin die waarheid wordt uitgesproken is die van het geloof, en de grammatica ervan is Christus. Het grootste deel van dit boek is een invocatio, ‘een in- en aanroepen van de liefde die het mogelijk maakt te spreken in een taal met de grammatica die Christus is’ (32). Die invocatio, oftewel dat gebed, is ‘het inroepen van Gods genadige aanwezigheid waarop het antwoordt’ (68). Het beeld is dat van een circulair proces: het gebed roept Gods genadige aanwezigheid in de wereld aan, die in onze moderne, hedendaagse wereld vooral als afwezig wordt ervaren. Maar, gaat Borgman verder, juist in die aanroep wordt de ervaring van afwezigheid gedragen. In het roepen om aanwezigheid vanwege ervaringen van afwezigheid toont zich de aanwezigheid. Ziehier een van de vele paradoxale gedachten waarin Borgmans boek grossiert.

Waar het Borgman in het boek om gaat is dat het bij theologie en geloof niet draait om een perfecte wereld, maar juist om zoeken naar het goede leven voor allen in een wereld die vooral gekenmerkt wordt door gebrek, kwetsbaarheid en gebrokenheid. Dat is waar de grammatica van Christus voor staat: geloof draait niet om het vinden van geluk, je vindt het niet in succes en rijkdom, maar je vindt het wanneer je zoekt naar die plekken op aarde waar de ellende het diepst is, waar pest en pus heersen, waar de realiteit en uitzichtloosheid je in de ogen kijken, maar waarbij je niettemin blijft geloven dat in Christus de onmogelijke mogelijkheid realiteit is geworden dat God in en door zijn aanwezigheid uiteindelijk de hele werkelijkheid zal transformeren. Die twee zaken lijken centraal te staan: de gebrokenheid van de wereld waar het christelijk geloof niet voor wegloopt maar waar het juist om draait, en de ‘onmogelijke mogelijkheid’ van de transformatie die de afwezig-aanwezige God bewerkstelligt.

Hoe dat er concreet uit kan zien, illustreert Borgman via beschrijvingen van de levens en werken van talloze prominente denkers en schrijvers, waaronder Simone Weil, Jan Patocka, Georg Simmel, Teilhard de Chardin, John Henry Newman, Toni Morrison, James Joyce, J.K. Huysmans, Albert Nolan, Henri Nouwen, Michel de Certeau, en Thomas Halik. Talloze namen buitelen al lezende voorbij, halverwege het boek duizelde het me en vroeg ik me af wat er de functie van is. Wat wil Borgman hiermee zeggen? Hij gaat geen dialoog met ze aan, trekt amper conclusies uit de beschrijvingen die hij geeft. Een enkele keer uit hij kritiek op hun theologische denkbeelden, maar meestal laat hij hun levens en ideeën staan als kleine portretten, min of meer afgesloten, gestalten van geloof. Moeten ze zijn punt illustreren? Hebben ze ons iets te zeggen waar we wat van kunnen leren? Borgman geeft prachtige beschrijvingen, maar doet er verder weinig mee. Het maakt de verwarring over wat Borgman wil zeggen alleen maar groter.

Tegelijkertijd ontwaar ik ook een vreemde passiviteit. Ellende, lijden en dood moeten volgens Borgman niet vermeden worden maar juist gezocht, want ‘[u]it dit godgeklaagde lot rijst het gebed om het onmogelijk op en aan dit godgeklaagde lot ontspringt de theologie’ (97). Dat laten de denkers en schrijvers zien die Borgman te berde brengt. Maar daarbij lijkt voor Borgman berusting en overgave centraal te staan, het nederig en bijna gelaten omgaan met kwetsbaarheid en lijden. Waar is het radicalisme of verzet tegen het onrecht? Waar het om gaat, aldus Borgman is ‘om te ontdekken dat in verbondenheid met dit lot aan het licht komt hoe God alle dingen nieuw maakt zonder wat oud is in de steek te laten’ (97). Maar betekent dit dat een mens niets moet doen om het lot te verlichten? Gaat het erom slechts als gelovige aanwezig te zijn bij het lijden, wellicht mee te lijden, maar niet om er iets aan te doen? Geen verzet? Is het alleen God die alle dingen nieuw maakt, of kan de mens het instrument van God worden? Nergens geeft Borgman hier handen en voeten aan. Zijn theologie blijft daarmee in abstractie hangen, zweeft maar aarden doet het niet.

Let wel, ik heb grote bewondering heb voor de eruditie die uit dit boek spreekt. Het is opmerkelijk hoeveel Borgman gelezen en verwerkt heeft, hoeveel kennis er uit dit boek spreekt, niet alleen van de theologie, maar vooral ook van literatuur en kunst. Borgmans theologie wordt opgetrokken uit fragmenten die hij uit alle hoeken van de menselijke cultuur plukt. Nou ja, uit alle katholieke hoeken. Want Borgman mag dan wel schrijven dat hij zijn denklijn ontwikkelt ‘in conversatie met tal van schrijvers en denkers van binnen en buiten de christelijke traditie’ (320), dit is wel heel inclusief geformuleerd. De waarheid is dat Borgman louter rooms-katholieke denkers en schrijvers aanhaalt, of denkers en schrijvers die op enig moment in hun leven overgingen tot het katholicisme (Toni Morrison lijkt de enige uitzondering). Is dat erg? Op zichzelf natuurlijk niet, behalve dat hiermee de indruk gewekt wordt dat de waarheid exclusief binnen het rooms-katholicisme te vinden is. Hoe open Borgmans positie ook is, net als bij zijn theologie-opvatting verraadt ook zijn methode toch een soort uitsluitingsdenken.

Ik heb eveneens grote bewondering voor Borgmans taalvaardigheid. Hij houdt zich verre van een droge, koele, analytische stijl die ik maar al te goed ken uit protestantse dogmatieken. Borgmans taal kent vele registers. Hij schrijft speels, poëtisch, associatief, metaforisch, en ook authentiek, bevlogen, enthousiasmerend. Tegelijkertijd vliegt Borgman te vaak uit de bocht, laat hij zich meeslepen door zijn eigen poëtische ingevingen maar zonder oog te hebben voor de lezer neemt hij diezelfde lezer op sleeptouw, die vervolgens ieder houvast van betekenis verliest. Laat ik een paar voorbeelden geven om dit te illustreren.

Neem bijvoorbeeld deze zin waarover ik struikelde en waarbij de lezer duizelig wordt van de ontkenningen:

‘[John Henry] Newman zag de onmogelijkheid in het oneens te zijn met degenen die het als een irreële droom beschouwen dat het christendom de organische kracht zou kunnen herwinnen die het eenmaal lijkt te [hebben] bezeten’ (249, typo gecorrigeerd, T.S.].

Of neem deze passage:

‘Het behoort tot de openbarende poëzie van het geloof dat de wereld zoals zij is, niet blijkt te weerspiegelen wat mensen in het licht van dit geloof zijn. Het toont de hedendaagse cultuur als ruimte waar niet alles in oogverblindend licht zichtbaar is, zoals deze cultuur zelf claimt, maar waar zich schatten verbergen. Wie zich buiten de wet van de redelijkheid en de begrijpelijkheid gesteld weet, leeft in de hoop die spreekt in de tafelen der wet die zijn gegrift in de taal van de buiten de wet gestelden. Om aldus de wereld te ontsluiten als land van belofte.’ (253)

Of, ten slotte, deze zin:

‘Een theologie die zichtbaar maakt wat het betekent ons opnieuw te laten verbeelden vanuit de verborgen aanwezigheid van de belofte die ons doet leven en vanuit de verborgenheid van ons ware gezicht: het zal onmogelijk blijken tijdens dit proces niet verleid te worden de theologie als discipline opnieuw uit te vinden’ (255-256).

Dit zijn slechts een paar voorbeelden van in prachtige woorden gegoten abstracte denkbewegingen die mijn pet te boven gaan. Ik zou meer voorbeelden kunnen geven (en dan zwijg ik overigens over de schaamteloze d/t-fouten en andere typo’s die me regelmatig uit mijn voor dit boek zo broodnodige concentratie haalden).

Tijdens het lezen van het boek moest ik regelmatig denken aan de uitspraak van de ongelovige filosoof Daniel Dennett die het theologisch bedrijf ooit badinerend omschreef als ‘tennisspel zonder net’. Als er geen net is, kent het tennisspel geen uitdaging. Er is geen weerstand, het gaat nergens over. Ook bij Borgmans boek vroeg ik me af waar zijn net hangt. Voor wie schrijft hij en waartegen? Waar reageert hij op? Wat is zijn Anliegen? Wat is het spel dat hij speelt en het punt dat hij wil maken? Wat is datgene waarvan hij de lezer wil overtuigen? Wat hij schrijft klinkt prachtig, maar ik betrapte me er vaak op dat ik na lezing, herlezing en nogmaals lezing me bleef afvragen wat Borgman nu eigenlijk wil zeggen. Wat wil hij met dit boek veranderen? Wat is het punt en had hij dat niet in andere woorden helderder kunnen zeggen?

En toen ik het nawoord las (tip: lees dit nawoord vóórdat je aan de rest van het boek begint), bekroop mij steeds meer het akelige gevoel dat Borgman het zelf blijkbaar ook niet helder voor ogen heeft wat hij wil zeggen. Want hij schrijft daar, schijnbaar schuldbewust: ‘Wie dus bij het lezen van Alle dingen nieuw het gevoel heeft gehad – of, voor wie dit als eerste leest: wie het gevoel zal krijgen – dat de ordening wel wat strakker, de redenering wat rechtlijniger en de presentatie wat minder wijdlopig had gekund, die heeft zeker gelijk. Ik vraag mijn lezers willens en wetens om zich met mij in de schijnbare ordeloosheid te begeven om te zien welke orde omhoogkomt’ (318). Borgman suggereert dat hij zelf geen grip op de zaak heeft.

Het nawoord versterkte mijn gevoel dat Borgman een poëtische, haast esthetische theologie nastreeft, waaruit de orde waar Borgman over schrijft niet wordt opgelegd, maar ‘omhoogkomt’, opborrelt oftewel emergeert. Waar orde dus spontaan ontstaat uit chaos, en dat is een proces dat zich niet laat dirigeren of controleren, maar waarvoor hooguit de voorwaarden aangegeven kunnen worden. Borgman lijkt allergisch te zijn voor het idee dat hij een orde oplegt aan de dingen, dat hijzelf de zaken op systeem zou brengen (precies wat je zou verwachten van een systematische theologie). Hij wil daarentegen de dingen zelf laten spreken, zij moeten hun orde tonen. Hij schrijft in de geciteerde passage over een ‘schijnbare’ ordeloosheid, blijkbaar spreken de dingen tot Borgman, hij heeft de orde gezien, vandaar zijn boek, maar hij slaagt er niet in de onderliggende orde helder te benoemen.

Borgman vergelijkt zijn theologische denkweg met het spelen van jazzmuziek, want ‘jazz stelt de chaos van onze wereld en onze levens present, delft daarin de orde op en laat deze eruit opklinken’ (318). Dat klinkt mooi. Het punt is wel dat de chaos van jazzmuziek slechts schijn is. Een volleerd jazzmusicus precies weet exact wat hij doet en betovert de luisteraar door een ongeëvenaard improvisatievermogen. Ik ben vaker bij optredens van Borgman aanwezig geweest en twijfel niet aan zijn improvisatievermogen. Maar het nawoord (heeft de uitgever om dit nawoord gevraagd als een soort samenvatting en verheldering?) en de duistere taal die hij hanteert, geeft de indruk dat hijzelf eigenlijk niet goed weet wat hij doet, dat hij zoekende is en dat dit boek geen eindproduct is, maar een stadium in zijn denkweg. Misschien dat de overige twee delen die gepland staan en afgaand op het nawoord nog niet geschreven zijn, een helderder beeld weten te scheppen.

Kortom: dit boek neemt de lezer mee en gunt hem of haar een kijkje in het theologische hoofd van Borgman waar van alles in omgaat wat uitermate boeiend en lezenswaardig is. Er is in Nederland geen theoloog die zo verfrissend en out of the box schrijft als Borgman. Maar uiteindelijk komen we niet verder, vrees ik. We komen met dit boek niet uit Borgmans hoofd, er is geen deur naar buiten. Voor Borgman zelf mag het (misschien?) zonneklaar zijn wat hij bedoelt te zeggen met de formuleringen waarmee hij het zegt. Die blijven daarentegen voor de lezer – althans voor ondergetekende die toch wel wat gewend is – veelal niet meer dan enigmatische tegeltjes. Borgman zit teveel in zijn eigen hoofd, verdwaalt te vaak in zijn eigen zinnen en bijzinnen, en in de sporen die hij volgt door ook alle zijwegen te willen bewandelen. Hij vergeet de lezer mee te nemen, die na het lezen van zoveel bombastische uitspattingen wat verweesd achterblijft en alleen nog kan zwijgen na zoveel woorden. Zwijgend… en tegelijkertijd hopend. Want wát geschreven is, maakt ook ontegenzeggelijk nieuwsgierig naar meer.

Nawoord, 9 juli 2020:

Onlangs vroeg de website De Bezieling mij of ik het nieuwe boek van Erik Borgman wilde bespreken. Hierboven is de bespreking te lezen die eerder op de website van De Bezieling verscheen. Ik moet nu, een aantal weken later, erkennen dat mijn milde enthousiasme over het boek toch behoorlijk is bekoeld. Deels komt dat doordat enige inconsistenties die ik in het boek ervoer ook terugkomen in het filmpje dat de uitgever online heeft gezet en waarin Borgman in ruim drie minuten de strekking van zijn boek bespreekt. Zijn samenvatting is al net zo vaag als het boek zelf, wat in mijn ogen geen aanbeveling is. Maar bovendien zegt hij dat het boek zich richt tegen het zeker weten wat zaken als “de” traditie, “het” christendom, etc. inhouden. Maar vervolgens – en hij doet dat in het boek al net zo – spreekt Borgman weer net zo makkelijk over “de” traditie en “het” christendom als hij in het boek doet – alsof toch glashelder is wat deze zaken zijn. Dit zijn inconsistenties die in mijn ogen echt afbreuk doen aan het boek. Ik hoop echt dat de uitgever voor de nog te verschijnen delen een redacteur aanstelt die Borgman meer op de huid durft te zitten, zodat helderder wordt wat hij voor ogen heeft.

Bovenstaande recensie (zonder nawoord) verscheen eerder op De Bezieling: https://www.debezieling.nl/alle-dingen-nieuw-eerste-deel-van-erik-borgmans-magnum-opus/.

3 thoughts on “Erik Borgman, “Alle dingen nieuw”, deel 1 (boekrecensie)

  1. Taede,

    [Borgman zit teveel in zijn eigen hoofd]
    Geldt dat eigenlijk niet voor iedere gelovige?
    Het kan ook eigenlijk niet anders.

    Je eigen ‘ik’ lijk je concreet te kunnen waarnemen: als die ‘ik’ zichzelf in de arm knijpt voelt diezelfde ‘ik’ dat.
    Toch is die ‘ik’ een verbeelding van het menselijke organisme, het zit in ons eigen hoofd.
    Dat geldt voor alle concepten waar we mee vertrouwd zijn maar die anderen onmogelijk kunnen waarnemen.

    Dat geldt dus ook voor God. Je ‘ik’ kan met je ‘ik’ in dialoog gaan en die ‘ik’ als object waarnemen.
    Je ‘ik’ kan met ‘God’ in dialoog gaan en die ‘God’ als object waarnemen. Die ‘ik’ kan die ‘God’ echter niet in de arm knijpen en waarnemen dat die ‘God’ daarop reageert.

    Zitten wij niet allen teveel in ons eigen hoofd? Waar zouden we volgens jou anders moeten zitten?

  2. We zitten midden in een pandemie (de vorige was een eeuw geleden (1918) die niemand die nu nog leeft heeft meegemaakt), met 12 miljoen besmettingsgevallen en een half miljoen doden en een theoloog schrijft temidden van deze pandemie een zeer abstract boek met de ambitieuze titel ‘Een theologische visie voor de 21ste eeuw’, die weinig of niets met de werkelijkheid te maken lijkt te hebben en waarvan de auteur zelf en de recensist eigenlijk niet weten waar het boek overgaat: wie heeft daar iets aan? Is dat een visie die we nodig hebben in de 21e eeuw? Je zou zeggen dat een pandemie existentiële vragen oproept over leven en dood en waar het in het leven omgaat, over internationale en nationale samenwerking, solidariteit, menselijk contact, etc.

Comments are closed.

%d bloggers liken dit: