Close

Bram van de Beek, “Ego: Een cultuuranalyse van het ik” (boekrecensie)

Het is al weer wat jaren geleden dat een bekend theologisch antiquariaat jaarlijks, zo tussen Kerst en Oudejaarsdag, een grote uitverkoop van theologische boeken hield in het midden van het land. Het was voor dit antiquariaat een kans om van hun enorme voorraad tweedehands theologieboeken af te komen. (Het antiquariaat bestaat ondertussen niet meer.) Ik herinner me nog dat ik op een van die dagen met één van de medewerkers van het antiquariaat sprak, terwijl we samen met een nostalgische blik toekeken hoe jonge én oude theologen elkaar bijna de hersens insloegen om het laatste exemplaar van een of ander obscuur werkje te bemachtigen.

We voelden aan dat dit het einde van een tijdperk was. De zaal was doordrongen van de geur van oude boeken. Muffig, maar ook nostalgisch. ‘Ja’, grinnikte de bebaarde medewerker terwijl hij in de richting van de lange rijen boeken knikte, ‘dat waren nog eens tijden. Toen poepte de uitgeverij ieder prekenbundeltje van iedere emerituspredikant uit alsof het niet op kon’. Ik wist welke theologische uitgeverij hij bedoelde. De naam had drie letters waarvan de eerste en de laatste dezelfde waren, de toevlucht voor al die predikanten met pensioen en met kasten vol met oude preken.

De bundeltjes verschenen met name in de late jaren ’70 en de jaren ’80. Ik herinner me nog de boekenplanken vol met dergelijke bundeltjes bij de plaatselijke boekhandel. En later de dozen vol op de rommelmarkten. Toen ik theologie ging studeren, kreeg ik ze met handenvol tegelijk van mensen toegestopt. Het waren overigens ook vooral die bundeltjes die uiteindelijk op de laatste dagen van die uitverkoop van het theologische antiquariaat nog massaal op de tafels lagen. En vermoedelijk uiteindelijk bij het oud papier zijn beland. En nu vergeten zijn.

Ik moest aan die bundeltjes terugdenken toen ik het laatste boek van Bram van de Beek las, Ego: Een cultuuranalyse van het ik. Van de Beek (1946) is emeritus hoogleraar Symboliek aan de Vrije Universiteit. Het boek is uitgegeven bij dezelfde uitgeverij die vroeger de prekenbundels van emeritus predikanten bij bosjes ‘uitpoepte’. De uitgeverij is moderner geworden (of, afgaand op de gruwelijk lelijke omslag, probeert tenminste met de tijd mee te gaan), is ondertussen gefuseerd met een andere theologische uitgeverij. Tijden mogen veranderen, maar dat geldt blijkbaar niet voor alles.

Tegendraadse theologie

Van de Beek staat bekend om zijn spraakmakende en tegendraadse theologische boeken. Tegendraads is Ego zeker. Het is een cultuurkritische studie die in twee delen uiteenvalt. In het eerste deel van het boek, dat de titel draagt ‘Ik ben dus ik ben’ beschrijft Van de Beek hoe Descartes’ ‘Ik denk dus ik ben’ het begin is geweest van een geestelijke revolutie in onze cultuur. Vanaf die tijd besefte de mens dat hij een ego had, een ‘ik’, en ineens werd dit het centrum van het universum. De Verlichtingsfilosofie liet zien dat de mens zelf de bron is van alle kennis, hoewel niet het fundament ervan, daar was bij Descartes God nog voor nodig. De enige zekerheid die er is, zegt Van de Beek, is de zekerheid dat ik er ben. ‘Ik ben’ is de enige echte zekerheid die een mens in dit leven kan hopen te bereiken, aldus Descartes.

God was daarbij nog niet overbodig. Hij was in eerste instantie nog nodig voor het fundament van de wetenschappelijke kennis. God was de waarborg voor alle andere kennis, maar viel uiteindelijk daar ook uit. God is vandaag hooguit nog nodig voor de moraal, althans voor diegenen die zich daar nog iets van aantrekt. We ordenen zelf onze werkelijkheid, onze waarneming, onze samenleving. We beslissen zelf wel wat we als ‘feit’ en als waarheid aannemen. We zijn onze eigen autoriteit geworden op alle fronten, ook op de morele. Wantrouwen jegens alles wat niet-ik is, is de sleutel voor het verstaan. We bepalen zelf hoe we leven en liefst ook nog eens hoe we sterven. Alles draait uiteindelijk rond het zelf, om macht (ook democratie is slechts ‘gedemocratiseerde macht’), om geld, seks en persoonlijke vrijheid. We zijn een typische VVD-samenleving geworden, stelt Van de Beek (111). Een samenleving van mensen die het goed hebben en niet graag gedoe willen en dus vooral niet onrustig willen worden gemaakt door linkse, activistische hobbies als armoede, maatschappelijk onrecht en klimaat…

Genuanceerd is Van de Beeks betoog niet. Verre van. Van dik hout zaagt men planken. Tot in den treure herhaalt hij hoe vooral vanaf het Revolutiejaar 1968 de hele samenleving is verzonken in een moeras van ongebreideld hedonisme. Het is kommer en kwel alom.

Opwekking, sensatie en beleving

Daarbij spaart Van de Beek ook de kerk niet. Kerk en cultuur gaan samen op, schrijft hij. De mens is er niet langer voor God, maar God is er vooral voor ons, zegt hij. De mens wendt zich alleen naar de God die zich aan de mens heeft aangepast. Dat begon al met Luther, die zich afvroeg hoe hij een genadige God kon krijgen. Maar Luther zocht de fouten nog in zijn eigen bestaan. Wij mensen vandaag zoeken de genadige God door alle oordelende godsbeelden gewoon af te schaffen. Van de Beek zegt het niet zo, maar het beeld dat hij oproept, is dat van een God die we gedomesticeerd hebben als was het een huisdier. De wilde leeuw met scherpe tanden is een tamme huispoes geworden die hooguit nog vervaarlijk kan ek-ek-ek-ekken naar de vogels in de tuin.

Geloof moet vooral gezellig zijn. Het draait om opwekking, om sensatie, beleving en meegesleept worden, anders zijn we zo weg. Ooit betuigde Van de Beek zich als een groot fan van baptistenpredikant Orlando Bottenbley, maar in dit boek krijgt evangelicaal ‘happy-clappy’ geloof en het ‘prosperity gospel’ er genadeloos van langs. Weinig subtiel laat Van de Beek ook niet na om op het christelijke hedonisme te wijzen door een beschrijving van het wagenpark van de gelovige schare die zondags bij de megakerken op de Bible Belt te vinden is.

Waren kerk en theologie ooit cultuurkritisch, nu draait het volgens Van de Beek vooral nog om de vraag wat wij aan God hebben. God moet nut hebben, anders denken we zonder te kunnen. Geloof draait vooral om zingeving: we geven zelf zin aan ons leven, daarvoor is God niet altijd nodig. Het besef dat we geloof of inspiratie ontvangen is afwezig. Daarmee zijn religieuze uitingen ‘expressies van het menselijke ik in de vorm van een christelijk karakter’ (82). De mens, zegt Van de Beek, is als een zak friet en God is de kwak mayonaise die je er wel of niet bij wilt (84). Wel of geen God erbij is een kwestie van voorkeur geworden. Hooguit hopen we nog op God om ons een beetje een behoorlijk hiernamaals te verschaffen. Feuerbachiaans stelt Van de Beek: ‘Alles wat wij bedenken waarvoor we God nodig hebben, bestaat uit projecties van onze verlangens en angsten. Dat is precies wat in de Bijbel afgoderij wordt genoemd’ (100).

Van de Beek pendelt in het eerste deel tussen verleden en heden, geeft ontwikkelingen aan, beschrijft trends. Het is niet dat Van de Beek geen punt heeft. Maar wat hij zegt is verre van nieuw. Ik las dit soort deprimerende diagnoses van de tijdgeest al in de bundeltjes van die gepensioneerde dominees van veertig, vijftig jaar geleden. Bovendien is het zo zonder nuance, zo retorisch, en uiteindelijk door de voortdurende herhaling allemaal zo naargeestig, alsof de hele Westerse cultuur vanaf de zestiende eeuw onafwendbaar in een draaikolk van verderf en liederlijkheid is verzonken. Van de Beek hamert op de lezer in met de stelligheid en onverbiddelijkheid van een Coppolaanse godfather totdat de lezer murw en bloedend in de hoek ligt. Kan Van de Beek daar nog iets positiefs tegenover zetten? En de hamvraag: kan dit boek nog iets vernieuwends brengen?

Bram van de Beek
Bron foto: Wikipedia (Door 칼빈500 – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=76233982)

Spiegel en oordeel

Het tweede deel met als titel ‘Ik ben die Ik ben’ wil in zeker opzicht het eerste deel een spiegel voorhouden. In het tweede deel stelt Van de Beek hoe de Bijbel (natuurlijk vooral gelezen door de theologische bril van Van de Beek zelf) laat zien hoe de mens absoluut niets is in de ogen van God. God noemt zich ‘Ik ben die Ik ben’. Hij – natuurlijk is God bij Van de Beek zonder enige nuancering de traditionele ‘Hij’ of ‘HEER’ – is van niets en niemand afhankelijk en al helemaal niet van de mens. Het is pure genade dat die God zich tot de mens keert. De Bijbel spreekt volgens Van de Beek een onvoorwaardelijk vertrouwen uit in die God, terwijl onze hedendaagse cultuur getekend wordt door een fundamenteel wantrouwen jegens alles wat onze eigen, persoonlijke autoriteit aantast. ‘De ware God is niet een god om bang voor te zijn, maar de God die er is als je bang bent – als je niet kunt slapen om al die schapen die zonder herder door de wereld dwalen en door huurlingen worden afgeslacht’ (157).

Die ware God is de mens Jezus. ‘Deze mens is God’, zegt Van de Beek.

Hij is God. Hij is degene die beslist over ons leven. Hij is de hoge, naast welke men zich niets hogers denken kan. Hij is de eerste en de laatste. Hij is het aan wie we ons totaal kunnen toevertrouwen en die volstrekt over ons leven beslist, Hij die verwacht is en de onwaardigste onder de mensen. Hij is niets voor mensen die het goede leven willen genieten, met een goed glas wijn en een party. Hij is iets voor mensen voor wie het hoogst verlangen is om naar een festival te gaan met drank en drugs, muziek en dans. (…) Als dit de grond van je bestaan moet zijn, dan heb je niet veel vaste grond onder de voeten.

Ego, p. 152

Van de Beek buldert als een oudtestamentische profeet en predikt het bijbelse oordeel over samenleving en kerk, over ongelovigen én gelovigen:

Mensen die met hun ego beginnen, kunnen Hem niet bereiken, of dat nu het ego van de wetgeleerde is of het ego van de verlichte mens, ook het ego van de verlichte theoloog. Zo verlicht als ze zijn, ze zijn blind als mollen. Niemand kan tot Mij komen als de Vader hem niet trekt. En niemand komt tot de Vader dan door Mij. Wie zelf iets wil bereiken, bereikt niets.

Ego, p. 158.

‘Christenen behoren tot de misdadigers’

Gelovigen doen het daarbij volgens Van de Beek niet beter dan ongelovigen:

Christus is zelf gekruisigd. Hij is onder de misdadigers gerekend. Daar vind je ook de christenen. Zij behoren tot de misdadigers. We hebben het er al over gehad: christenen misbruiken hun macht, ze zijn hebzuchtig, ze zijn egoïstisch. Christenen zijn in de praktijk niet of nauwelijks van anderen te onderscheiden. Juist daarom krijg je geen vat op het geloof. Waren christenen maar zichtbaar betere mensen, en werd door hun inzet de aarde maar een tuin van vrede en recht. Dan kon je iets met het christelijk geloof beginnen. Maar ze zijn het niet.

Ego, p. 219.

Waar ongelovigen zich nog kunnen wentelen in onwetendheid, die luxe hebben christenen niet. Zij hebben namelijk weet van hun verdorven toestand. Dat maakt hun leed alleen maar groter.

Let wel: van academische theologie is in dit boek geen sprake. Van de Beek argumenteert niet, hij verkondigt en profeteert. Er zit een (persoonlijke) theologie achter en onder, maar verder is het hele tweede deel is één lange moraliserende preek met een voorspelbare conclusie waarin Van de Beek Descartes radicaal tegenover Pascal stelt: ‘Descartes vindt zekerheid in het logische vertoog. Pascal in het geloof, in vertrouwen. Je vindt die alleen op de weg van het evangelie’ (152). Nou, als lezer weet je wel op wie je je kaarten moet inzetten. Maar waagde Pascal nog een gok, bij Van de Beek gaat dat niet. Want we kunnen niets, zo verzekert Van de Beek ons keer op keer. Afhankelijkheid is de kern van ons menselijk bestaan. En dat betekent ook dat we het geloof niet kunnen kiezen. We kunnen niet zelf kiezen. We zijn verkozen. Of niet. God trekt ons tot zich. Of niet. Zelfs bidden heeft geen zin, God heeft zijn plan al getrokken. (Ik heb in dit boek geen enkele passage over het gebed kunnen vinden.)

Hopeloze theologie

Van de Beek buldert en dondert het ene stellige oordeel na het andere, hij stort het over de lezer uit. Het zal sommige gelovigen wellicht aanspreken, maar ik krijg vooral stuipen van dit soort nihilistische, masochistische en polariserende theologie. Het zou me niet verbazen als dit boek weinig respons bij vrouwen zal vinden, want Van de Beeks welsprekendheid is vooral stoere, mannelijke, weinig empathische stelligheid. Het is theologie van de gepensioneerde alfaman. Je vindt in dit boek geen twijfel, geen aarzeling, geen zoeken, maar alleen actief geformuleerde, krachtige formuleringen die klinken als klokken.

Erdoorheen klinkt de oude sterke, hiërarchische metafysica van goed en kwaad, van strijd en victorie. ‘Hij is en niets kan Hem hinderen. Al die grootmachten van de geschiedenis stellen niets voor. Een stofje, een druppel in een emmer. (…) Deze machtige God is inderdaad de HEER’ (145). Of: ‘Dit is God. Dit is een God met wie je leven kunt. Dit is een God die je aanbidden kunt. Hij kan de hele boel kort en klein slaan en alle vijanden vernietigen. Maar Hij doet ht niet, want Hij is God en geen mens’ (156). Bij deze 75-jarige theoloog proef je vergeefs iets van de hedendaagse zwakke metafysica van Gianni Vattimo en post-theïstische theologie waarin de kwetsbaarheid centraal staat.

Het is bovendien hopeloze theologie die alleen maar wijst op wat er slecht is. Er valt helemaal niets aan te doen. Je wordt er dus ook hopeloos van. Het enige dat christenen volgens Van de Beek kunnen doen is de hypocrisie van de wereld – waar ze zich zelf ook aan bezondigen en waar ze aan lijden – benoemen en zo de wereld een spiegel en het oordeel voorhouden:

Zo leven christenen in Hem [= Jezus]. Ze passen van geen kant in de wereld. Ze lijden daaraan, het meest omdat het hun eigen wereld is, niet alleen om hen heen, maar ook in hen. Lijden aan de wereld is het bestaan van een christen. Dat is de ware menselijke identiteit. De wereld ontmaskeren, inclusief de wereld die we zelf zijn – dat is het diepste wat we op aarde kunnen doen. Dat is ware christelijke identiteit, meer dan speculeren over hoe het hiernamaals zijn zal.

Ego, p. 232.

Het enige dat mensen kunnen doen is volhouden totdat de ultieme goddelijke Alfaman hemel en aarde vernieuwt, er een punt achter zet, en uitverkozen christenen beloont met het eeuwige leven om de liefde van Christus eeuwig te vieren. Het aardse leven is een en al ellende, het bestaan is volkomen absurd. Stelde Camus de zelfmoord nog als uitweg uit het absurdisme, dat is voor Van de Beek ook een afgesloten weg, want Gods macht gaat voorbij de dood. We zitten ingeklemd tussen a rock and a hard place. Of in goed Amerikaans gezegd: we’re fucked. Het enige wat we hebben, is de kerk, zegt Van de Beek, ‘Daardoor houd je het vol in de wereld met haar harde wetmatigheid’ (234). En dan moeten we het natuurlijk niet van Gods ‘grondpersoneel’ hebben, constateerde Van de Beek al, want christenen zijn misdadigers, machtswellustelingen die zelfs religie voor hun egoïstische karretje spannen, net zo verdorven als de rest van de wereld. Nee, de rust wordt de christenziel vooral geschonken door de sacramenten, met name de doop die onze identiteit met Christus beklinkt, en de eucharistie, het geneesmiddel van het eeuwige leven. Daar moeten we het mee doen. Einde boek.

De weeë, muffe geur van oudere boeken en nog oudere theologie

Het lijkt allemaal slimme cultuurkritiek, maar precies dit las ik ook allemaal al in die theologische prekenbundeltjes van de emeritus predikanten van pakweg veertig, vijftig jaar geleden. Er hangt rond dit boek van Van de Beek een weeë, muffe geur van oude boeken en nog oudere theologie; uiterst herkenbaar in zijn gestalte en toon, nostalgisch voor sommigen, afstotend voor anderen. Van de Beek gebruikt hedendaags Nederlands taalgebruik en niet de oubollige formuleringen van de jaren zeventig en tachtig. Maar zijn toon en het oordeel dat hij velt over onze cultuur zijn nog precies zo negatief en conservatief als die van de zeurende en zeikende gepensioneerde dominees van toen. Hij zingt eenstemmig in hun koor. Dominees die losgezongen van het juk van een gemeente eindelijk de lef hadden te zeggen wat ze wérkelijk van onze samenleving vonden, van de verderfelijke vernieuwingen van de cultuur, van de liederlijkheid van de jeugd, al die drugs en vrije seks en abortus en homofilie en zo.

Het waren precies die dominees die mij naar de theologie dreven. Eén van mijn drijfveren om theologie te gaan studeren was dat ik het pertinent oneens was met precies het afstotende, negatieve en verstikkende geneuzel dat Van de Beek in dit boek tot melodie verheft. Die melodie weerklonk ook in mijn kindertijd maar al te vaak vanaf de kansel in mijn eigen gereformeerde kerk. Wat heeft theologie nog voor zin als je zo negatief over de cultuur bent? Je drukt mensen die in de modder liggen er nog verder in door te zeggen dat ze nog even moeten volhouden? Voor Van de Beek is het aardse bestaan een afgeschreven boek uit de bibliotheek, in afwachting van de recycle-bak. Er nog iets aan verbeteren is zinloos en alleen maar een teken dat je je niet bij je afhankelijkheid en de nietsheid van je ego kunt neerleggen. Alles wat je dan als theoloog nog kunt doen, is preken voor eigen parochie, is preken voor hen de het geloof al hebben, die gedoopt zijn en de eucharistie genieten, hopend en biddend (want dat doet een mens die vreest voor zijn zielenheil, ook al weet hij dat het niets meer uitmaakt) dat God hen na de dood bij zich zal trekken.

En dat preken voor eigen parochie is ook precies wat Van de Beek hier doet. Het is ook volgens zijn eigen logica het enige dat hij kan doen. Hij kan geen boodschap hebben voor de rest van de samenleving, want die is verzonken in navelstaarderij en toch al reddeloos verloren. Hij zal ook niet hopen dat hij een andersdenkende met zijn boek kan overtuigen of een ongelovige tot Christus bekeren, want zo’n poging zou volgens zijn eigen logica laten zien dat hijzelf net zo’n dwalend ego heeft als de rest van die dwalende wereld omdat hij dan het idee zou koesteren dat hij nog iets ten goede kan veranderen aan deze wereld. Als je Van de Beeks logica volgt, is het enige zinnige wat je na lezen van dit boek kunt doen, het bij het oud papier gooien. Geef het niet door, leen het niet uit, laat het niemand anders lezen, zet het niet in een boekenboom en breng het niet naar de kringloopwinkel, maar gooi het weg of verbrand het. Als je ook maar ergens de illusie koestert dat iemand iets aan dit boek zou kunnen hebben of dat het boek iets verheffends in deze wereld kan betekenen, dan ben je volgens de logica van het boek zelf zo blind als een mol en onderworpen aan de machten en harde wetten van het aardse bestaan.

Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw…

Als je goed luistert naar de donderpreek van Van de Beek, dan hoor je stilletjes tussen de regels door fluisteren: ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw… De hemel en de aarde…’ Stil zijn, zwijgen en wachten, het uithouden, dat is wat we kunnen doen, wachten totdat God hemel en aarde heeft vernieuwd en ware christenen beloont met eeuwig leven. Het lezen van Van de Beeks boek was voor mij als een bezoekje met een tijdmachine. In de popmuziek zijn de ‘Eighties’ hot en booming. Maar Van de Beeks grimmige jaren herijking van ’70-’80-jarentheologie is vooral verstikkend en achterhaald. Het maakt de mensen tot willoze poppen die spelen in een poppenkast waar alleen God aan de touwtjes trekt.

Het is daarbij ook nog eens makkelijke theologie, schoppen tegen de cultuur (of beter gezegd: tegen alles waar je het in onze cultuur niet mee eens bent) zonder dat je er iets werkelijk constructiefs tegenover kunt of wilt zetten. Je kúnt er niets tegenin brengen, omdat Van de Beeks retorische schrijfstijl, doorspekt met bijbelcitaten, een zodanige autoriteit uitstraalt dat het is alsof God het zelf zegt. Hij spreekt met het gezag van de oudtestamentische profeten (die hij ook met liefde regelmatig aanhaalt). En God heeft absolute autoriteit waar niet mee valt te spotten. Er valt dan ook niet mee of over te discussiëren. Je bent het er mee eens of niet. Het is een boek vol actieve formuleringen en stelligheden, geen argumenten. Je kunt dus hooguit met dezelfde stelligheid waarmee Van de Beek zijn profetische boodschap verkondigt, erkennen dat Ego gewoon pertinente flauwekul is, hopeloos ouderwetse theologische bagger die het verdient in een oudpapier-container vergeten te worden.

Bij deze.


Ego: Een cultuuranalyse van het ik
Bram van de Beek.
KokBoekencentrum Uitgevers, 2022. Paperback. 238 pp.
ISBN 9789043537261. € 20,00


Vind je mijn blogs de moeite waard? Zo ja, zou je dan misschien een kleine bijdrage willen overwegen?

Mijn weblog bestaat al sinds 2005. Met veel plezier schrijf ik in mijn eigen tijd en op eigen kosten recensies en andere blogbijdragen. Echter, de kosten van o.a. webhosting lopen ieder jaar verder op. Donaties stellen me in staat om content te plaatsen en nieuwe initiatieven te ontwikkelen.

Mocht je willen doneren, dan kan dat hier: https://tasmedes.nl/doneren/

Alvast ontzettend bedankt voor je steun!

– – Taede Smedes

3 thoughts on “Bram van de Beek, “Ego: Een cultuuranalyse van het ik” (boekrecensie)

  1. Nou, Van de Beek een dwalend ego … Eerder iemand met een vastgeroeste denkwereld.
    In wat ik van hem heb gelezen laat hij anderen wel toe, mits die in zijn denkwereld passen. Maar ja, dan wordt het moeilijk discussiëren. Zou humor helpen?

Comments are closed.

%d bloggers liken dit: