Close

Als alles anders wordt, terwijl er toch niets gebeurd is. (Boekbespreking)

Han van den Boogaard, Zen en de kunst van het kijken (bron: Samsara)

‘Het denken zelf heeft geen idee wanneer het moet stoppen of wanneer het zijn doel wel of niet voorbijschiet. Daardoor gaan we in de loop van ons leven steeds meer in een conceptuele wereld leven die ons uiteindelijk de hoofdprijs moet bezorgen: wijsheid en geluk. En zo verliezen we het contact met de onmiddellijkheid en de verwondering die we als kind gekend hebben. Zen haalt je, als het goed is, weer terug naar die onmiddellijkheid en verwondering, naar de “is-heid”, de rauwe aanwezigheid van ieder moment van het dagelijks leven’ (8) Zo begint de Nijmeegse schrijver en vertaler Han van den Boogaard zijn recent verschenen boek Zen en de kunst van het kijken.

Het is interessant maar ook frustrerend: in mijn boek Thuis in de kosmos beschrijf ik hoe in de mens de kosmos tot zelfbewustzijn is gekomen. Wat ik in dat boek niet ter sprake breng maar waar ik me terdege van bewust ben, is dat datzelfde zelfbewustzijn ironisch genoeg ook veelal de hindernis is om datzelfde feit onder ogen te zien en te doen waarvoor de kosmos ons misschien wel voor heeft bedoeld: ervaring opdoen, of wat Van den Boogaard noemt ‘terug naar de onmiddellijkheid en verwondering’. De term ‘zelfbewustzijn’ zegt het al: we zijn ons bewust geworden van een ‘zelf’, een ‘ego’, een essentiële kern die ons afsplitst van de rest van de kosmos en er in gedachten boven plaatst. Alsof dat zelf zich in een ultieme handeling van creatio ex nihilo in het bestaan heeft gebracht. Alsof dat zelf zich als een Baron von Münchhausen aan de eigen haren uit het moeras van het bestaan heeft opgetrokken.

Precies door ons zelfbewustzijn leven we in de illusie dat we een zelf hebben of zijn. En dat terwijl er op geen enkele wijze een harde grens te trekken valt tussen ons en de ons omringende werkelijkheid. Juist die illusionaire afgegrensdheid van de werkelijkheid is verantwoordelijk voor veel leed en gevoelens van zinloosheid. Het denken verschaft ons grenzeloze mogelijkheden, maar staat ons ook in de weg om direct contact te maken met de werkelijkheid en om te zien wat er is.

Ziet Van den Boogaard een oplossing? ‘Misschien zijn alleen zenakdotes conceptloos genoeg om je aandacht weer naar het zuivere waarnemen terug te brengen en je ervan bewust te laten worden dat alles één vloeibaar en naadloos geheel is. Ze nodigen je uit om alles los te laten wat kan worden betwijfeld, en te zien wat er dan overblijft’ (8). De essays in dit boekje zijn precies zulke uitnodigingen.

De anekdotische essays die Van den Boogaard in dit boekje bijeengebracht heeft zijn veelal van persoonlijke aard. Het lijken soms dagboekfragmenten, maar toch vormen de essays, die meestal niet meer dan twee à drie pagina’s lang zijn, een mooi afgerond geheel. Eigen belevingsverhalen en ervaringen worden gekoppeld aan uitspraken van beroemde Zen-leraren, maar af en toe komt ook Meester Eckhart voorbij, iemand die blijkbaar dicht bij Van den Boogaard staat.

Wat mij aansprak in deze teksten, is het zoekende karakter. In deze essays is iemand aan het woord die ontegenzeggelijk is ‘geraakt’ of zelfs ‘aangeraakt’, iemand die misschien een verlichtingservaring heeft gehad (Van den Boogaard zwijgt erover maar tussen de regels door proef je er wel iets van), maar vooral iemand die op zoek is, die een weg is gegaan waarvan hij beseft dat die nooit ten einde is. Van den Boogaard is iemand die worstelt met de samenleving waarin hij leeft en met zichzelf.

Een mooi voorbeeld van die worsteling wordt zichtbaar in het laatste essay ‘Life is okay’, waarin hij zijn kwakkelende gezondheid ter sprake brengt. Zelf heeft hij ooit talloze therapiegesprekken gevoerd met mensen, maar nu: ‘Inmiddels ben ik gedwongen de wereld en mezelf vanuit hun kant te bekijken en te beleven. Maar ik weiger om binnen onze slachtoffercultuur de rol van slachtoffer aan te nemen. Want er is geen andere versie van de werkelijkheid mogelijk dan de Nu-versie, en weerstand tegen het onvermijdelijke is een vorm van waanzin’ (118).

Hij ondergaat therapie opdat de dokters en specialisten kunnen kijken ‘wat er te repareren valt’. Maar ondanks de ellende blijft hij in staat om afstand te houden: ‘Maar de persoon die dit alles overkomt is al lang geleden doorzien als fictief. Dus wie zou er ontevreden moeten zijn over de loop die zijn leven genomen heeft? Wie zou er somber moeten zijn over het lot dat hem ten deel is gevallen?’ (118). Het is deze houding die hem behoedt om te vervallen tot depressiviteit, maar waarom? Aan zijn boekenkasten zit een stuk papier geplakt, waarop zijn motto staat: ‘Life is okay, because it couldn’t be any other way’.

Laat ik het zo verwoorden: het zelf worstelt altijd met de verhouding tussen autonomie en heteronomie. Precies dat is het probleem waar veel zoekers naar zingeving mee worstelen. Het zelf wil altijd de controle hebben. Heeft het zelf die controle niet – en dat is meestal het geval – dan vervallen we bijvoorbeeld tot dagdromen over hoe het anders zou kunnen zijn. Dan verlangen we naar een alternatieve gang van zaken. Het zelf is nu eenmaal niet in staat om te accepteren dat de zaken nu eenmaal zijn zoals ze zijn, dat de zaken meestal helemaal niet onder controle te brengen zijn, maar dat ze gaan zoals ze gaan.

Ook ik ken het goed: wil je ’s ochtends lekker een rondje hardlopen, voel je een pijntje in je knie waardoor je toch besluit thuis te blijven om de zaak niet te verergeren. Ik kan me dan wel opvreten van frustratie, ofschoon ik zo langzamerhand geleerd heb rustig te blijven en goed te luisteren naar mijn eigen lichaam (ook ik word een dagje ouder – nog zoiets wat frustratie kan opwekken, maar wat nu eenmaal gebeurt). Het besef dat je je eigen lichaam niet onder controle hebt, dat je afhankelijk bent van je eigen lichaam, knakt de wil van het zelf. Dat levert frustratie op, doekha dus, en precies dat is het punt waar boeddhisme en met name zenboeddhisme aangrijpt.

Het briefje aan de boekenkast lijkt bedoeld om Van den Boogaard aan die boeddhistische wijsheid te helpen herinneren, om vervolgens terug te keren naar de altijd aanwezige ademhaling en zo naar het besef dat de dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn en dat dat goed is. Die observatie is interessant, omdat het aangeeft dat ook Van den Boogaard een mens is als jij en ik, die op weg is. Hier is niet zozeer een spirituele leraar aan het woord, maar iemand die op weg is en worstelt. Hij kan het niet echt uitleggen. ‘Als me gevraagd wordt hoe het komt dat ik niet depressief ben, zeg ik: “Ik weet het niet”, en dat is geen leugen. Ik weet het werkelijk niet, want ieder verhaal dat ik erover vertel is onwaar’ (119). Ieder verhaal, iedere verklaring, is een constructie van het zelf, bedoeld om gezichtsverlies te vermijden, en als zodanig is het een leugen.

Vrijwel alle essays draaien rond dat thema, rond die worsteling tussen het zelf en de kunst om de werkelijkheid te bekijken zoals die is, onbelemmerd door onze concepten. Het zijn teksten die inspireren, met een mystieke geladenheid maar absoluut niet zweverig. Het boek leest heerlijk weg. Dat wil niet zeggen dat ik er geen kritiek op heb. Af en toe kreeg ik bij het lezen wel eens het idee dat Van den Boogaard wel érg defaitistisch is, zelfs op het randje balanceert van onverholen nihilisme. Met name in het essay ‘De wil van God’ lijkt hij de vrije wil helemaal buitenspel te zetten als een illusie die zich onverrichterzake verzet tegen het determinisme dat onze werkelijkheid beheerst. Het idee dat er een wil van God is die alles bepaalt en mij buitenspel zet is voor hem een wijze van spreken waar hij gek genoeg mee uit de voeten kan. ‘Je zou evengoed kunnen zeggen dat alles spontaan gebeurt zonder dat daar een intentie, plan of logica achter zit, en zonder dat er iets of iemand is die het laat gebeuren, en dat maakt ons volkomen vrij om te doen wat we doen’ (52). We doen dus gewoon wat we doen, schijnbaar lukraak, er zit geen reden achter wat we doen en de redenen die we bedenken zijn rechtvaardigingen achteraf en volkomen arbitrair.

Elders schrijft hij: ‘iedere keus die we maken is een fictieve, want alles gebeurt spontaan en vanzelf, zonder dat er iets of iemand aan de touwtjes trekt en de dingen wel of niet laat gebeuren’ (73). We moeten dan in zijn ogen worden ‘als stromend water’ (52), dus zelfloos en volstrekt willoos door een bedding gesleurd. Ik kan er niet omheen dat ik me daar ongemakkelijk bij voel. Want hoe kun je met zo’n houding nog verzet aantekenen tegen bijvoorbeeld onrecht en geweld? Moet je dan alles maar accepteren als iets dat gewoon gebeurt? Wat is dan überhaupt nog van waarde?

Het gevaar bestaat ook dat dit in een soort elitarisme omslaat, zoals geïllustreerd in het gedicht dat geciteerd wordt op pagina 53: ‘Kalm en verheven staat hij / boven rechtvaardigheid; / nobel en onbewogen doet hij / niemand kwaad; / vredig en rustig ziet en hoort / hij niets; / evenwichtig en gebalanceerd / verblijft zijn geest nergens’. Dit komt naar mijn besef dicht in de buurt bij een stoïcijnse levenshouding, maar dan vooral in de negatieve, pejoratieve betekenis waarin het woord ‘stoïcijns’ vaak gebruikt wordt.

Maar zoals gezegd: voor Van den Boogaard is dit geen uitgemaakte zaak. Uit vrijwel alle hoofdstukjes blijkt dat hij zelf ook worstelt met die ideeën, dat hij wellicht zo wíl denken, maar dat het leven van alledag hem toch ook weer meesleurt in de routine en hij een briefje aan de kast moet hangen om zichzelf eraan te herinneren dat het anders is. Hij schrijft ook elders over hoe hij zichzelf aan deze boeddhistische waarheid moet herinneren: ‘Ik kijk nogmaals naar buiten. Het is nog harder gaan regenen, en ik realiseer me, nee, herinner me weer dat wat ik ben niet kan wankelen onder welke omstandigheid dan ook…’ (76). Hij is er dus nog niet. Hij is nog op weg, hij heeft het doel nog niet bereikt en zal het vermoedelijk ook nooit bereiken. Hij is dus één van ons, en geen heilige of goeroe. Gelukkig maar.

Zen en de kunst van het kijken is een boekje met schitterende teksten en prachtige zinnen vol wijsheid, die je wantrouwig maken over je eigen ideeën en voorstellingen en die je anders naar de dingen doen kijken. En precies dat is de bedoeling: ‘Ervan doordrongen zijn dat je van niets weet wat het betekent, dat alles een ondoorgrondelijk mysterie is waar geen naam of eigenschap zich aan hecht: het kan zomaar gebeuren, in een flits van inzicht, voordat alles weer in de duisternis van de woordenwereld verdwijnt. Alles zal daarna anders zijn, ook al is er niets gebeurd’ (60).

 

Zen en de kunst van het kijken. Over zuiver waarnemen in het dagelijks leven.

Han van den Boogaard.

Samsara, 2018. Hardback. 120 pp.

ISBN 9789491411793. € 17,90

1 thought on “Als alles anders wordt, terwijl er toch niets gebeurd is. (Boekbespreking)

  1. @Taede,
    het is een heel mooi stukje.
    Wilde het toch laten weten.

    Veel aansprekende zinnen:
    “Elders schrijft hij: ‘iedere keus die we maken is een fictieve, want alles gebeurt spontaan en vanzelf, zonder dat er iets of iemand aan de touwtjes trekt en de dingen wel of niet laat gebeuren’ (73). We moeten dan in zijn ogen worden ‘als stromend water’ (52), dus zelfloos en volstrekt willoos door een bedding gesleurd. Ik kan er niet omheen dat ik me daar ongemakkelijk bij voel. ” (En meer pareltjes 😉

Comments are closed.

%d bloggers like this: