Close

“Alleen een theoloog met oogkleppen op kan de hersenwetenschappen nog negeren”

Bron: Wikimedia Commons

Hersenwetenschap – brain sciences – zijn hot! Met name het idee dat ook religie vanuit het perspectief van deze wetenschappen bestudeerd kan worden, kan zich in toenemende mate op belangstelling verheugen. Gisteren stond er een interessante discussie tussen hersenwetenschapper Michiel van Elk en systematisch theoloog Christoph Hübenthal (mijn voormalige collega aan de Radboud Universiteit) in het Nederlands Dagblad.

De twee opiniestukken waren een opmaat voor een discussie die ze zouden voeren bij Radboud Reflects in Nijmegen. Ik heb me zeer verbaasd over de starheid waarmee theoloog Hübenthal reageerde op het stuk van Van Elk. Met name het idee dat de hersenwetenschappen van geen enkel nut zijn voor het bestuderen van religie gaat er bij mij niet in. Vanwaar die felheid? Ik vermoed eerlijk gezegd dat Hübenthal wat gechargeerd van leer trok, maar ik sluit ook niet uit dat hij vanuit zijn Kantiaanse achtergrond inderdaad een categorische boedelscheiding voorstaat.

Hoe dan ook, ik heb gisteren in allerijl onderweg in de trein naar de VU een stuk geschreven als reactie op deze discussie. Dat stuk staat vandaag als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad. Het geplaatste stuk is ingekort ten opzichte van de oorspronkelijke versie. Vandaar dat ik die oorspronkelijke en uitgebreidere versie hieronder heb geplaatst.

Overigens erg leuk dat de actualiteit mij nu in de gelegenheid gaf om alvast een eerste proeve te geven van het project bij de VU waar ik momenteel (o.l.v. Gijsbert van den Brink) aan werk: hoe laat je zien dat de theologie niet om de natuurwetenschappen heen kan? Ik hoop dat ik de komende maanden meer kan laten zien…


Alleen een theoloog met oogkleppen op kan de hersenwetenschappen nog negeren

Door Taede Smedes

De reactie van professor Hübenthal op het artikel van Michiel van Elk is van een bijna Barthiaanse snit. Vrijwel categorisch sluit hij uit dat de theologie iets kan leren van de hersenwetenschappen over het fenomeen religie. Het centrale argument lijkt te zijn dat de hersenwetenschappen hun kennis opdoen aan de hand van buitengewone en bizarre ervaringen, terwijl dergelijke ervaringen – hij neemt de mystieke ervaring van eenwording met God als voorbeeld – voor ‘gewone gelovigen’ vrijwel ontoegankelijk blijven. De hersenwetenschappen leren ons alleen iets over het buitengewone, en niets over het ‘gewone’ van geloof. Daarin vergist Hübenthal zich behoorlijk, zo laat ik hieronder zien.

Hübenthal doet ook de positie van Van Elk geen recht. Weliswaar houdt Van Elk zich ook bezig met buitengewone ervaringen (hij werd bekend door zijn experiment met de ‘God-helm’ op Lowlands), maar in zijn bijdrage geeft hij als voorbeeld het denken aan God, waarbij dezelfde hersengebieden oplichten als bij het denken aan geliefden en vrienden. Hier is toch niets buitengewoons aan?

Hübenthals positie is Barthiaans te noemen omdat ook Karl Barth meende dat de theologie niets van de natuurwetenschappen kon leren. Vandaar dat Barth in het deel van de KD over de scheppingsleer expliciet zegt zich geen rekenschap te geven van de natuurwetenschappen. Theologisch hebben de natuurwetenschappen ons niets te zeggen, meent Barth. Het is de vraag of deze categorische boedelscheiding vandaag de dag nog volgehouden kan worden. Ik denk van niet. Om even bij de hersenwetenschappen te blijven: ik denk dat de theologie juist de hersenwetenschappen uiterst serieus zou moeten nemen juist wat het bestuderen van religie betreft.

“Ik denk dat de theologie juist de hersenwetenschappen uiterst serieus zou moeten nemen juist wat het bestuderen van religie betreft.”

Laat ik een voorbeeld geven, waarbij ik meteen als voorbehoud maak dat ik een aantal zaken wat versimpeld voorstel. De cognitieve wetenschappen laten zien dat kinderen – dat wil zeggen personen waarvan wordt uitgegaan dat ze nog dicht bij een ‘natuurtoestand’ staan en nog relatief weinig door de cultuur beïnvloed zijn – tamelijk vanzelfsprekend over de werkelijkheid denken in termen van doelmatigheid (‘die steen is puntig zodat je er niet op gaat zitten’). Bovendien zijn kinderen van nature geneigd om over bepaalde gebeurtenissen te denken in termen van persoonlijke interacties (‘die driehoek achtervolgt het rondje, hij is gemeen’). Dat dit denken bij kinderen voorkomt duidt erop dat het bijna ‘instinctief’ is. Het blijkt nu dat we die manieren van denken als we ouder worden weliswaar beter leren doorzien, maar nooit kwijtraken.

Dat deze manieren van denken zo diep in ons wezen verankerd liggen verklaart waarom iemand die bijvoorbeeld in het donker in het bos wandelt en ergens een tak hoort kraken, in eerste instantie ‘spontaan’ denkt dat er iemand anders in het bos is, een mens of wellicht een wild dier. Zou die ‘iemand’ goed of kwaad in de zin hebben? Sommige wetenschappers hebben geconcludeerd dat deze mechanismen – die eveneens verantwoordelijk zijn voor het personifiëren van onze computers en auto’s (‘Dat ding doet ook nooit eens wat ik wil! Hij lijkt wel een hekel aan me te hebben!’) – ook ten grondslag liggen aan het fenomeen religie. Gaat godsdienst immers niet ook terug op onverklaarbare natuurlijke gebeurtenissen op basis van de intenties van bovennatuurlijke personen, oftewel ‘goden’? Een stap verder is dan om God of goden tot illusies te verklaren, tot ‘niets meer dan’ constructies van ons brein.

Die verklaring gaat te ver. Dat geeft ook Van Elk toe: de hersenwetenschappen kunnen niets zeggen over het al dan niet bestaan van God. Voor hetzelfde geld heeft God de mens juist met dergelijke mechanismen voorzien, zodat we vatbaar worden voor Gods openbaring. Misschien maken die mechanismen ons geloof mogelijk. De hersenwetenschappen kunnen dus niet het laatste woord hebben wat betreft een ultieme verklaring van het fenomeen religie.

“Juist de hersenwetenschappen zouden theologen moeten waarschuwen dat ze misschien hun eigen spreken en denken over God niet al te letterlijk moeten nemen.”

Maar de hersenwetenschappen laten zo wel zien welke mechanismen een rol spelen in het denken over God en goden. Ze laten zien hoe vatbaar we zijn voor denken in termen van intenties en bedoelingen terwijl die in sommige gevallen onjuist is (de punt van de steen is niet door iemand zo geslepen, maar is door erosie ontstaan; de krakende tak in het bos is niet meer dan een uitgedroogde tak die van een boom valt).

En dit feit is relevant voor de theologie, omdat alle theologie – katholieke én protestantse, maar ook joodse, islamitische en christelijke – uiteindelijk uitgaat van het mysterie, de onkenbaarheid van God (‘Mijn gedachten zijn niet jouw gedachten’). Juist de hersenwetenschappen zouden theologen moeten waarschuwen dat ze misschien hun eigen spreken en denken over God niet al te letterlijk moeten nemen.

Ook ons denken over God werkt met die denkmechanismen, en misschien dus dat we onze denkbeelden over God wel oneigenlijk toepassen! Misschien dat wij niet zozeer geloven in God, maar vooral in het beeld van God dat we met behulp van onze hersenen en allerlei denkmechanismen creëren. Misschien dat we zo geloven in een afgodsbeeld, een illusie die door onze hersenen gemaakt wordt. God is dan misschien geen illusie, ons denken over God is dat misschien wel.

“De hersenwetenschappen leren ons weliswaar niets over het feit dát mensen gelovig zijn, maar ze leren wel iets over hóe mensen geloven.”

Religie en religieus geloof zijn mensenwerk. Ik besef dat sommige gelovigen het daar niet mee eens zijn. Is immers geloof geen gave van God? Maar ook dan blijft het feit dat God zich ‘moet aanpassen’ aan het menselijk denkvermogen, zoals Calvijn al wist, om de gave van het Woord te ‘laten landen’ (de zogenaamde ‘accommodatie-these’). De theologie heeft dus altijd ook behoefte aan een antropologie, een leer van de mens, en daar zou ook natuurwetenschappelijke kennis een grote rol in moeten spelen.

De hersenwetenschappen zijn dus uiterst relevant voor de theologie, omdat ze ons de denkvalkuilen laten zien waar we van nature geneigd zijn in te vallen. Ze leren ons weliswaar niets over het feit dát mensen gelovig zijn, maar ze leren wel iets over hóe mensen geloven. Juist omdat ze laten zien hoe onze hersenen werken en hoe we onszelf zonder het door te hebben bedriegen, zouden ze argwanend moeten maken voor al die theologen en andere gelovigen die blijkbaar precies weten wat God denkt, wil en wenst.

Hersenwetenschappen zeggen dus niet direct iets over God, maar ze zeggen heel veel over de mens die gelooft in God, juist door de denkmechanismen die een rol spelen in ons alledaagse leven bloot te leggen. Dat is een enorme winst die de theologie niet mag laten liggen. Natuurlijk, een theoloog kán dat negeren. Maar hij moet dan niet raar opkijken als hij ervan wordt beschuldigd oogkleppen te dragen.

Taede A. Smedes is godsdienstfilosoof en theoloog. Hij is o.a. werkzaam als onderzoeker bij de Faculteit Theologie van de VU bij een onderzoeksproject naar de impact van natuurwetenschappen op theologisch denken.


Een ingekorte versie verscheen in het Nederlands Dagblad van 25 januari 2019.

Het opiniestuk van Michiel van Elk is HIER (ND, betaalmuur) te vinden en staat eveneens op zijn website.

De bijdrage van Hübenthal is HIER (ND, betaalmuur) te vinden.

2 thoughts on ““Alleen een theoloog met oogkleppen op kan de hersenwetenschappen nog negeren”

  1. De denkfout die velen maken op dit gebied, is deze: “Je kunt religieuze ervaringen kunstmatig opwekken, dus echte godservaringen zijn er niet”. Dit is een typische non-sequitur. Je kunt mensen ook kunstmatig dingen laten zien die echt bestaan, b.v. door de hersenen te stimuleren, of door hypnose. Het feit dat waarneming en ervaring kan worden opgewekt, impliceert niets over de realiteit van vergelijkbare waarnemingen of ervaringen die zonder die speciale stimuli optreden.

Comments are closed.

%d bloggers liken dit: